De aangifte van de roerende inkomsten voor inkomstenjaar 2012 (aanslagjaar 2013)

Vorig jaar was een bijzonder fiscaal jaar.  In het bijzonder wat de roerende inkomsten betreft.  Daarom leek het ons zinvol de aangifte hiervan kort te bespreken.

Het algemeen principe voor vorig jaar was dat het zogenaamde bevrijdende karakter van de roerende voorheffing verlaten werd.  Iin principe dienen de roerende inkomsten altijd te worden aangegeven (of er roerende voorheffing werd ingehouden of niet, maakt geen verschil).  De oorzaak van dita lles is de aanvullende/bijkomende  heffing van 4%.  Het zou voor de Administratie anders niet mogelijk zijn deze 4% te kunnen berekenen en indien nodig in te kohieren.

Let wel deze 4% aanvullende heffing is niet op alle roerende inkomsten verschuldigd.  Enkel op de intresten of dividenden die onderhevig zijn aan de 21% roerende voorheffing en dan nog enkel wanneer een grens van 20.020 euro overschreden wordt.

Welke roerende inkomsten vallen binnen het grensbedrag van 20.020 euro ?

Let wel deze grens van 20.020 euro dient te worden berekend per belastingplichtige.  Dus hou rekening met oa uw huwelijksvermogensstelsel.

Met de volgende roerende inkomsten dient rekening te worden gehouden :

–       Intresten : kasbons, rekening courant, zichtrekening, spaarrekening (wel enkel op de intresten die het bedrag van 1.830 euro overschrijden), termijnrekening, …

–       Dividenden (zowel dividenden waar 21% of 25% roerende voorheffing werd op ingehouden)

–       Inkoop eigen aandelen

–       Inkomsten uit Beveks, Sicavs en vastgoedbevaks.

Met de volgende roerende inkomsten moet geen rekening gehouden worden :

–       Liquidatiebonus

–       De intresten van de zogenaamde Leterme-bons (inschrijvingsperiode van 24 november 2011 en 2 december 2011)

–       Andere roerende inkomsten zoals verhuring van roerende goederen (gemeubeld appartement, wagen, …) of auteursrechten.

Let wel dat Inkomsten van auteursrechten vanaf aanslagjaar 2013 altijd moeten worden aangegeven.  Het gevolg is dan ook dat er bijkomend de aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zal zijn.

–       Tot 1.830 euro intresten van een reglementaire Belgische spaarrekening

–       Beleggingsverzekeringen (Tak 21 mits het respecteren van de wettelijke voorwaarden wat de vrijstelling van de roerende voorheffing betreft (overlijdensdekking of looptijd van meer dan 8 jaar), Tak 23)

–       Tot een bedrag van 180 euro aan dividenden van erkende coöperatieve vennootschappen of van vennootschappen met een sociaal oogmerk

Wanneer men meer dan 20.020 euro aan roerende inkomsten genoten heeft én hierbij zijn er roerende inkomsten waarbij 21% roerende voorheffing werd op ingehouden én er werd geen 4% op ingehouden , dan moet men deze roerende inkomsten aangeven.  Wie geopteerd heeft voor de anonimiteit en ervoor geopteerd heeft de 4% aan de bron te laten inhouden dient verder dan weer niets aan te geven.  Wel zal in dit laatste geval ook de (verder) vermelde verklaring te worden aangekruist (code 1440/2440).

Wanneer men echter niet meer dan 20.020 euro aan roerende inkomsten genoten heeft dan is er geen aangifteplicht.   Wie dus niet meer dan 20.020 euro ontvangen heeft of wie wel meer dan 20.020 euro ontvangen heeft  (met 21% roerende voorheffing) maar de bijkomende heffing van 4% werd ingehouden, moet deze inkomsten niet aangeven.  Wel moet de volgende code aangevinkt worden : 1440 / 2440.  Dit betreft een verklaring waarin bevestigd wordt dat er geen bijkomende inkomsten zijn waar de 4% op van toepassing is (“ik verklaar dat ik geen andere dan in mijn aangifte vermelde inkomsten heb verkregen die nog aanleiding kunnen geven tot de bijkomende heffing van 4%”)

Wie echter merkt dat hij of zij de grens van 20.020 euro niet overschreden heeft, maar echter wel de 4% heeft laten inhouden, kan deze ten onrechte betaalde 4% terugvorderen.  Fit vertegenwoordigt een bedrag van maximaal 800,80 euro).  Dit dient te gebeuren via de aangifte in de personenbelasting.  Wel zullen dan alle roerende inkomsten (met uitzondering van de liquidatiebonus of de intresten van de Leterme-bons) dienen te worden aangegeven opdat de Administratie dit zou kunnen controleren.  Let wel ook dan dient de code 1440/2440 te worden aangekruist.

Opmerking sommige roerende inkomsten dienden vroeger ook al te worden aangegeven en dit is nu niet anders.  Hierbij denken we in het bijzonder aan intresten of  dividenden waar geen zonder roerende voorheffing werd op ingehouden.  Denken we maar aan de intresten of dividenden die in het buitenland werden geïnd en waar geen Belgische tussenpersoon bij werd betrokken.  Of nog de intresten afkomstig van een spaarrekening(en) waar  geen roerende voorheffing werd op ingehouden omdat het vrijstellingsbedrag van 1 830 euro niet werd overschreden, maar er zijn echter meerdere spaarrekening.  Dan zal er wel belasting op dienen te worden betaald.  Het vrijstellingsbedrag is immers niet per spaarrekening maar per belastingplichtige te berekenen.  Aangifte is dan ook aan de orde.

Schema : “Heeft men intresten of dividenden ontvangen waar de roerende voorheffing werd op ingehouden maar GEEN 4% bijkomende heffing ?”

–       JA : totaal bedrag aan intresten en dividenden berekenen (uitzonderingen zie boven).

Bedraagt dit totaal bedrag MEER dan 20.020 euro ?

  • JA : aangifte verplicht van deze roerende inkomsten (tenzij de 4% werd ingehouden)
  • NEEN : geen aangifteverplichting van deze roerende inkomsten.  Wel de code 144//2440 aankruisen.

–       NEEN : geen bijkomende heffing  en geen aangifte van toepassing.  Wel code 1440/2440 aankruisen.

 

Voorbeelden  (Circulaire nr. Ci.RH.231/615.434 (AAFisc Nr. 20/2013) dd. 24.05.2013, randnr 44 en 45)

Voorbeeld 1

Een belastingplichtige heeft in 2012 interesten ontvangen die onderworpen zijn aan de RV van 21% en dividenden die onderworpen zijn aan de RV van 25%. Hij heeft niet gekozen voor de inhouding aan de bron van de BH.

Bij de vestiging van de PB zal een BH van 4% moeten worden gevestigd op het gedeelte van de roerende inkomsten dat onderworpen is aan 21% en dat de drempel van 20.020 EUR (bedrag na indexatie) overschrijdt.

  Totaal vd verkregen inkomsten Inkomsten onderworpen aan 25% RV Inkomsten onderworpen aan 21% RV Berekening van de drempel van 20.020 euro 4% op
Geval 1 19.000 6.000 13.000 19.000 0
Geval 2 21.000 6.000 15.000 21.000 980
Geval 3 23.000 1.000 22.000 23.000 2.980
Geval 4 24.000 21.000 3.000 24.000 3.000

 

Voorbeeld 2

Een belastingplichtige heeft in 2012 interesten ontvangen die onderworpen zijn aan een RV van 21% en interesten met betrekking tot gewone spaardeposito’s. Hij heeft niet gekozen voor de inhouding aan de bron van de BH.

Bij de vestiging van de PB zal een BH van 4% moeten worden gevestigd op het gedeelte van de roerende inkomsten dat onderworpen is aan 21% en dat de drempel van 20.020 EUR (bedrag na indexatie) overschrijdt.

De volgende gevallen kunnen zich voordoen:

    Inkomsten van gewone spaardeposito’s      
  Totaal vd verkregen inkomsten Geen roerende inkomsten Inkomsten onderworpen aan 15% RV Inkomsten onderworpen aan 15% RV Berekening van de drempel van 20.020 euro 4% op
Geval 1 15.830 1.830 1.000 13.000 14.000 0
Geval 2 22.830 1.830 6.000 15.000 21.000 980
Geval 3 20.830 1.830 1.000 18.000 19.000 0
Geval 4 25.830 1.830 21.000 3.000 24.000 3.000

Voor de berekening van de drempel moet geen rekening worden gehouden met de eerste schijf van 1.830 euro van de inkomsten van gewone spaardeposito’s.

 

Besluit

Het principe van de bevrijdende roerende voorheffing werd (enkel voor) vorig jaar verlaten.  Voor wie echter niet meer dan 20.020 euro aan intresten of dividenden heeft ontvangen of de 4% bijkomende heffing heeft laten inhouden,  blijft dat principe wel van toepassing en moet er niets worden aangegeven.  Belangrijk is dan ook het grensbedrag van 20.020 euro correct te berekenen.

Bijkomend merken we op dat wie in 2012 een buitenlands (!) levensverzekeringscontract had lopen, niet mag vergeten hiervan melding te maken in zijn aangifte personenbelasting.