Op 23 juni 1987 richten drie personen een coöperatieve vennootschap opgericht, met een minimumkapitaal van 100.000 bef, waarvan twee van hen als bestuurder werden benoemd.  Voor de aanslagjaren 1990 en 1991 is ruim 100.000 euro vennootschapsbelasting verschuldigd, die niet betaald wordt.  De vennootschap werd op vordering van de fiscus failliet verklaard in 1997, doch kon zijn vordering niet recupereren uit de boedel.

Na de afsluiting van de faling dagvaardde de ontvanger de drie bestuurders-vennoten in betaling van de niet gerecupereerde fiscale schuld van de vennootschap. De vordering steunde hoofdzakelijk op de doorbraak van de rechtspersoonlijkheid en de bestuurdersaansprakelijkheid.  Tevens eiste de Belgische Staat de volstorting van het kapitaal tot 750.000 bef, hetgeen opgelegd werd door de wet van 20 juli 1991 voor coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.  De rechtbank van eerste aanleg te Leuven wees oordeelde dat de administratie de volstorting niet kon eisen en dat er evenmin sprake was van misbruik van rechtspersoonlijkheid (Rb.Leuven, 19 december 2003).  De Belgische Staat had volgens de rechter geen specifieke onrechtmatige daad ingeroepen tegen één van de bestuurders, terwijl de andere vennoot nooit bestuurder was geweest. De derde oprichter- vennoot was inmiddels reeds overleden. De Belgische Staat kon zich verzoenen met deze uitspraak en tekende hoger beroep aan.  Voor het hof te Brussel steunt de administratie zich volledig op de bestuurdersaansprakelijjkheid.

Een eerste twistpunt betrof het ontslag van de bestuurders. Eén van de door de fiscus vervolgde personen was oorspronkelijk bestuurder van de coöperatieve vennootschap.   Hij beweerde  ontslag als bestuurder te hebben genomen per 16 januari 1990. Dit zou moeten blijken aan een niet-gedateerde brief van zijn raadsman aan de raad van bestuur.  Dit ontslag en het uittreden werden voor akkoord getekend door een andere bestuurder, doch werd nooit gepubliceerd. Bovendien bleek dat betrokken persoon op de zitting van de faillissementskamer van de  rechtbank van koophandel te Leuven betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuurder aanwezig was.  De administratie betwistte de vaste datum van de ontslagbrief. De fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel bevestigt dat de administratie bij de vervolging van de belasting en derde is en de datum van een onderhandse akte op grond van artikel 1328 B.W. kan betwisten.  Onder de toen geldende wetgeving diende de ambtsbeëindiging niet te worden gepubliceerd (hetgeen onder het huidige recht wél vereist is).   Conform de toen vigerende wetgeving op het handelsregister moest de inschrijving van het handelsregister wel aangepast worden bij ontslag als bestuurder van een coöperatieve vennootschap, hetgeen in casu ook niet gebeurd was. Kortom, ook deze persoon werd samen met de andere persoon vervolgd op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid.
Vervolgens onderzocht het hof de de ingeroepen elementen die de bestuurdersaansprakelijkheid in gedrang zouden kunnen brengen.

De Belgische Staat voerde aan dat de vennootschap nooit een boekhouding had gevoerd, hetgeen overigens niet ontkend werd door de bestuurders.  Het voeren van een boekhouding is volgens het hof een verplichting van de vennootschap, en niet van de bestuurders. Dit element kon dan ook niet worden ingeroepen in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid.  Anders ligt het volgens het hof wat betreft het opmaken en het neerleggen van de jaarrekening.  Uit de artikelen 77 en 80 G.W.H.V, waarnaar het huidige artikel 158 W.Venn. trouwens verwijst, vloeit voort dat het opmaken en neerleggen van de jaarrekening een verplichting die op de bestuurder persoonlijk rust.  Deze verplichtingen werden niet nagekomen door de beide bestuurders.  Het hof beklemtoont dat wel degelijk een fout is in de zin van artikel 1382 B.W. die de bestuurderaansprakelijkheid toepasselijk maakte. Het betreft vanaf 1 november 1991 tevens een fout op artikel 61 Venn.W.  Ingevolge de incorporatie van de boekhoudwetgeving in de vennootschappenwet, is elke schending op de boekhoudwetgeving tevens een inbreuk op de vennootschappenwet in de zin van het toenmalige artikel 62 van de Gecoördineerde Wetten op de Handelsvennootschappen.  

De administratie, daarin gevolgd door het hof, roept het (weerlegbaar) wettelijk vermoeden van het toenmalige artikel 80, derde lid  G.W.H.V. in om de schade ter verhalen op de bestuurders. Dit artikel bepaalt dat ingeval de jaarrekening niet regelmatig is neergelegd, behoudens tegenbewijs, de door derden geleden schade geacht wordt afkomstig te zijn van dit verzuim.  De schade, zijnde de niet gerecupereerde vennootschapsbelasting, staat vast aangezien de fiscale schuld nooit betwist werd.  Het wettelijk vermoeden van artikel 80 G.W.h.V. wordt evenmin weerlegd.   Door het niet opstellen en openbaar maken van de jaarrekening onthielden de bestuurders nuttige informatie, die een jaarrekening kan verschaffen nopens het vermogen van een vennootschap aan schuldeisers die dus gehinderd werden om hun rechten te vrijwaren.  De bestuurders argumenteerde dat de vennootschap geen activa hadden, en het niet openbaar maken van de jaarrekening de rechten van de schuldeisers niet wezenlijk benadeelde. Het hof veegde deze argumentatie van tafel.  Het Hof hervormde dan ook het bestreden vonnis en veroordeelde beide bestuurders solidair tot betaling van een schadevergoeding ten belope van de fiscale schulden van de vennootschap, inclusief de nalatigheidsinteresten en de vervolgingskosten, en dit op grond van de bepalingen van artikel 1382 B.W. en de artikelen 62 en 80 G.W.H.V. 

Bron:  Brussel, 26 juni 2008