WAT ALS DE HUURDER OPZEGT EN DE RENOVATIEWERKEN ZIJN NOG NIET UITGEVOERD

ANTWOORD

Stel u sluit een renovatie-overeenkomst af en de huurder geeft er halverwege de brui aan. Hij ziet bv. het uitvoeren van de werken niet meer zitten en zegt de huur op. Stel dat we met een negenjarige huurovereenkomst zitten, dan kan de huurder opzeggen mits een opzeg te geven van drie maanden huur. In bepaalde gevallen(zie vraag …) moet hij een schadevergoeding betalen van 3,2 of 1 maand huur.  Hier bent u niets mee, ondertussen zit u als verhuurder wel met een half afgewerkte woning. U kan deze woning zo niet verhuren. Wat zijn uw rechten ?

ADVIES

U bent verhuurder. De huurder is zijn verplichtingen niet nagekomen. Er is sprake van een zgn. “contractuele wanprestatie”. In principe zou u zelfs aan de huurder kunnen opleggen dat hij de werken tot een goed einde brengt (de zgn. “gedwongen uitvoering van de werken”). Of u kan eisen dat de huurovereenkomst ontbonden wordt en u kan schadevergoeding eisen. Die vergoeding zal dan de geleden schade moeten dekken.

U bent huurder. Denk goed na voor u een renovatieovereenkomst afsluit, want u moet deze opdracht tot een goed einde brengen. Anders kan u een aardige schadeclaim boven het hoofd hangen. Weet goed waaraan u begint en kijkt goed na welke afspraken u contractueel vast legt.

WETTEKST

Artikel 8 Woninghuurwet
De partijen kunnen te allen tijde schriftelijk overeenkomen dat de huurder zich ertoe verbindt op zijn kosten in het gehuurde goed bepaalde werken uit te voeren die door de verhuurder moeten worden verricht. Zij moeten de termijn bepalen waarbinnen de werken moeten worden uitgevoerd.
In dat geval kan van artikel 2 (van de Woninghuurwet) worden afgeweken op voorwaarde dat de voorgenomen werken er toe strekken het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van dat artikel, dat deze werken precies omschreven worden, dat de aanvang voor de werken binnen een redelijk tijdstip is bepaald en dat geen huurgelden verschuldigd zijn tijdens de overeengekomen duur ervan, met dien verstande dat deze duur niet korter mag zijn dan degene die redelijkerwijze noodzakelijk is om ze uit te voeren.