Een notaris kocht in 1988 via zijn patrimoniumvennootschap (waarvan hij zaakvoerder was) een pand, dat hij een jaar later verhuurde aan hem privé en voor de uitbating van zijn studie. Het beroepsmatig aangewend gedeelte van de woning  had betrekking op de gelijkvloers, de inkomhal en een gedeelte van de kelder.  In 1991 werd aan de initiële huurovereenkomst een einde gesteld omdat, gelet op de uitgevoerde en nog uit te voeren renovatiewerken, de huur niet langer een juiste waardemeter was van de huurwaarde. De nieuwe huurovereenkomst stipuleerde dat de verhuurder instaat voor de volledige renovatie, alsmede voor alle kosten behalve de verwarmingskosten, de kosten van water en electriciteit en de onroerende voorheffing. De huurder diende ook het gebouw te verzekeren (als huurder). Aan dezer nieuwe huurovereenkomst werd begin 1992 nog een addendum toegevoegd, die aan de notaris-huurder toeliet op eigen kosten verbeteringswerken uit te voeren aan de beroepsmatig aangewende lokalen, waarbij de verhuurder bij het einde van de huurovereenkomst eigenaar wordt van de verbouwingswerken tegen vergoeding.  De huur werd vastgesteld op 100.000 bef per maand, waarvan de helft voor het beroepsmatige deel van de woning. Naderhand werd de huur van het privatieve gedeelte herleid van 50.000 bef tot 15.000 bef.

Tijdens een AOIF controle in 1999 werden een aantal voordelen van alle aard toegevoegd, maar aanvaardde de administratie de door het notariskantoor betaalde huurgelden.  In het najaar 2005 ontving de notaris plots een bericht van wijziging waarin werd aangekondigd dat voor de ajr.2002 en 2003 slechts 40 % van de aangerekende huurgelden zouden aanvaard worden als beroepskosten.  Dit percentage stemde overeen met de sleutel voor het bepalen van het beroepsmatig gebruik, zoals opgenomen in de aangifte van de patrimoniumvennootschap.

Er werden voor beide aanslagjaren aanvullende aanslagen gevestigd die uiteindelijk aangevochten werden voor de rechtbank van eerste aanleg te Namen (Rb. Namen, 5 november 2008).  De notaris riep in eerste orde de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in. De taxatiediensten hadden immers 14 jaar lang geen enkele vraag gesteld omtrent de betaalde huurgelden, terwijl ook tijdens de AOIF controle in 1999 geen enkele opmerking terzake had gemaakt.  De rechter oordeelde dat de houding van de taxatiediensten geen schending uitmaakte van de beginselen van behoorlijk bestuur. In december 1998 hadden de taxatiediensten immers een schrijven gericht aan de belastingplichtige waarin zij uitdrukkelijk stelde dat alle stilzwijgende akkoorden met ingang van aanslagjaar 2000 als niet bestaande werden beschouwd.  Ook uit de latere belastingcontrole van 1999 kon de notaris geen rechten putten, noch de kennisgeving van 1998 herroepen. 

Maar in de betwisting van de grond van de zaak volgde de rechter wél het standpunt van de notaris.  De administratie stelde dat de betaalde huurgelden niet beantwoorden aan de bepalingen van artikel 49 WIB 92.  Er is volgens de administratie slechts sprake van een beroepsmatig gebruik a rato van 40 %.  Tevens merkt de administratie op dat er een wanverhouding zou bestaan tussen de wederzijdse prestaties van de contractanten, aangezien de patrimoniumvennootschap voor ruim 2.500.000 bef verbouwingswerken heeft uitgevoerd aan de privatieve ruimten terwijl het privatieve gedeelte van de huur verlaagd werd tot 15.000 bef per maand, waarin dan nog een deel roerende verhuur begrepen was (salon en keukenapparaten).  Ondanks de hoge huur, draaide de huurder ook op voor alle kosten van nutsvoorzieningen en brandverzekering. Tot slot riep de administratie de onwettigheid van de huurovereenkomst in. Een notaris zou op grond van de (oude) notariswet van 16 maart 1803  geen zaakvoerder zou mogen zijn van een handelsvennootschap.  Hierin ziet de rechtbank echter geen graten. De administratie blijft in gebreke het bewijs te leveren dat de patrimoniumvennootschap een eigenlijke onderneming uitbaatte. De rechter bevestigde dat de vennootschap een puur burgerlijk karakter had.

De rechter bevestigt dat de taxatiediensten ten onrechte de huur herleid hebben, zich steunende indeling van de lokalen in functie van hun bestemming.  Bovendien is het alom bekend dat voor beroepsmatig aangewende lokalen de huur steeds hoger ligt dan voor volledig privatieve huur.  Het feit dat de verhuurder een vennootschap doet geen afbreuk aan dit principe.  De enige vraag die de administratie volgens de rechter had moeten stellen is of de aangerekende huurgelden al dan niet de redelijke behoeften overschrijdt. En deze vraag kan aldus de rechter enkel beantwoord worden aan de hand van een vergelijkend onderzoek met panden die voor een zelfde belangrijk deel beroepsmatig worden gebruikt en die een vergelijkbare infrastructuur hebben.  Dit onderzoek heeft de administratie echter niet gedaan.  Zij heeft er zich toe beperkt wat info in te winnen bij het kadaster, zonder echter naar vergelijkingspunten te vragen.   Ook de omdeling tussen het beroepsmatige en privatieve gedeelte, dat de administratie op 40 /60 had bepaald vindt geen genade in ogen van de rechtbank bij gebrek aan adequate criteria om die uitsplitsing te maken.

Eerder aanvaardde de rechtspraak dat de administratie wel dat overdreven huurgelden op grond van artikel 53,10° WIB 92 kunnen herleid worden tot redelijke proporties, die bepaald worden in functie van een op de gegevens van het kadaster bepaalde huurwaarde (Antwerpen, 21 september 1999, onuitgeg.). Het hof te Brussel oordeelde dat huurgelden van meer dan 17.370 euro voor de huur van burelen op twee verschillende locaties  op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overschrijdt (Brussel, 13 december 2007, www.fiscalnetnl.be).  De huur die betaald werd door een onderhuurder-vennootschap aan de huurder van een onroerend goed was geen volgens de rechtbank te Namen geen aftrekbare kost aangezien deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtrof. Om de normale huurwaarde te bepalen mag de administratie zich steunen op de huur die de hoofdhuurder betaalt aan de eigenaar, evenals de huurgelden van soortgelijke onroerende goederen (Rb.Namen, 13 juni 2007, F.J.F., N° 2008/188).
 

Bron: Rb. Namen, 5 november 2008

Met dank aan Mr G Poppe, advocaat te Antwerpen