Mandaat van bedrijfsleider

De bedrijfsleider van een vennootschap is veelal een privé-persoon.  Hij of zij oefent het mandaat als bedrijfsleider uit en onttrekt hiervoor een vergoeding.

Door de oprichting van een vennootschap wordt er in feite een rechtspersoon tussen de werkvennootschap en hemzelf geplaatst. 

Let wel dat hierdoor niet kan ontsnapt worden aan de bestuurdersaansprakelijkheid.  Het is immers zo dat dat wanneer in een vennootschap een rechtspersoon benoemd wordt tot bestuurder, zaakvoerder of lid van het directiecomité deze bestuurder-rechtspersoon een zogenaamde vaste vertegenwoordiger moet benoemen.   Deze vaste vertegenwoordiger treedt op in naam en voor rekening van deze rechtspersoon. Hij is weliswaar (in principe) niet zelf gebonden door de handelingen die hij stelt als vaste vertegenwoordiger maar hij is echter wel burgerrechtelijk als strafrechtelijk aansprakelijk alsof hij zelf de opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervuld hebben.

Het voordeel van de managementvennootschap moet dan ook niet hier gezocht worden, maar wel elders en dit vooral in de fiscaliteit.

Managementprestaties 

Niet enkel een mandaat als bedrijfsleider kan opgenomen worden door deze vennootschap.  Ook kunnen er managementprestaties gefactureerd worden.
Hiermee bedoelen we het aanrekenen van een aantal prestaties die geleverd worden, maar wel andere prestaties dan deze voor het mandaat dat werd opgenomen in de vennootschap. 
Hiervoor wordt er tussen de werkvennootschap en de managementvennootschap een ‘kaderovereenkomst’ opgesteld.  Zowel de aard van de prestaties als de vergoedingsregeling worden hierin vermeld. 

Moet er BTW op deze prestaties aangerekend worden ? 

Op de managementprestaties moet er BTW aangerekend worden. 

Op de vergoeding die betaald wordt voor het mandaat van de vennootschap is het antwoord meer gunanceerd.  Reeds vroeger werd er gesteld dat een natuurlijk persoon die bestuurder is in een vennootschap niet als btw-plichtige moet worden aangemerkt. Niettegenstaande een bedrijfsleider een zelfstandige is, moet er toch geen BTW aangerekend worden.   Er wordt immers geoordeeld dat er een verhouding van ondergeschiktheid bestaat tussen de werkvennootschap en haar bedrijfsleider (natuurlijk persoon).  Kortom een bestuurder (natuurlijk persoon) wordt niet als een btw-belastingplichtige aangemerkt.

Een rechtspersoon daarentegen is duidelijk wel een zelfstandige. Dit zou dan ook moeten concluderen in het feit dat er wel BTW moet aangerekend worden.  Nietteganstaande eist de BTW-administratie hun BTW-identificatie niet.  M.a.w. er kan een keuze gemaakt worden tussen al dan niet BTW aan te rekenen.  Een vennootschap die het mandaat als bv. bestuurder opneemt en kiezen voor de BTW kunnen hierop later ook niet meer terugkomen.

Nieuwe aftrekbeperking m.b.t. de managementvergoeding  

Hierover is er in eerste instantie weinig te vertellen.  Een managementfee is afrekbaar wanneer ze voldoet aan het algemeen principe van de aftrekbaarheid van de beroepskosten.  Meerbepaald zijn de kosten aftrekbaat wanneer aan de volgende vier voorwaarden is voldaan (art 49 WIB 92):

1. ze moeten noodzakelijk met het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid verband houden;

2. ze moeten tijdens het belastbare tijdperk gedaan of gedragen zijn;

3. ze moeten gedaan of gedragen zijn om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden;

4. ze moeten door de belastingplichtige verantwoord zijn wat de echtheid en het bedrag ervan betreft.

 Maar zo eenvoudig blijkt of bleek het in de praktijk niet altijd te zijn.  Het schoentje wringt nu net hier.  In de praktijk gebeurde het courant dat er gelden van de ene naar de andere vennootschap getransfereerd werden onder de algemene noemer ‘managementprestaties’.  De vraag hierbij was dan ook wat deze betalingen vertegenwoordigden. Niet was altijd niet even duidelijk.

De Administratie eiste dat de vennootschap kon aantonen welke prestaties hiervoor geleverd werden.  Zoniet werd de aftrekbaarheid van de managementfee verworpen.  De ontvangende vennootschap echter werd er wel op belast.  In feite komt dit neer op dubbele belastingen.

De rechtsleer en de recente rechtspraak hadden hier duidelijk een probleem mee.  De administratie bestempelde veelal dat de bestuursvergoeding fiscaal niet-aftrekbaar was omdat de echtheid van de kost niet werd aangetoond.Maar naast het artikel dat handelt over de aftrekbaarheid van de beroepskosten bestaat ook een artikel dat handelt over de ‘abnormale of goedgunstige’ voordelen (art 26 WIB 92). Dit artikel moet beletten dat er door toedoen van winstverschuivingen belastbare materie verloren gaat. Een winstverschuiving wordt hier gerealiseerd door bijvoorbeeld een overdreven managementvergoeding te betalen door de exploitatievennootschap aan de managementvennootschap. De fiscale wet stelt dan dat de verleende abnormale of goedgunstige voordelen in principe moeten worden toegevoegd aan de winst van de vennootschap die de voordelen toestaat tenzij de voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger (in casu de managementvennootschap).

De rechtspraak stelt daarenboven dat het artikel dat handelt over de abnormale en goedgunstige voordelen voorrang heeft op het artikel van de aftrekbaarheid van de beroepskosten. Het verwerpen van kosten is dus niet mogelijk als de kosten aanleiding hebben gegeven tot een belastbaar voordeel bij de begunstigde.  En dit is hier (behoudens uitzonderingen) duidelijk het geval.

De wetgever zag de bui hangen.  Zoals wel vaker gebeurt, grijpt de wetgever dan ook in.  Dit is ook hier het geval.  De wetgever heeft het bewuste art 26 eerste lid WIB 1992 waarover hierboven sprake gewijzigd in :"Wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, worden die voordelen, onverminderd de toepassing van artikel 49 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54 , bij haar eigen winst gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger.” Hierdoor zal het bewuste art 26 WIB 1992 niet meer ingeroepen kunnen worden om de aftrek van een ontrecht betaalde managementfee te rechtvaardigen. Als er niet voldaan is aan de voorwaarden van art. 49 WIB 1992 om aftrekbaar te zijn (omdat er bv. geen tegenprestatie tegenover staat), dan kan de aftrek van een managementfee voortaan dus wél verworpen worden, terwijl die uiteraard wel belastbaar blijft bij de managementvennootschap.  Het doek lijkt hiermee gevallen, met mogelijk een dubbele taxatie tot gevolg. Opletten is dan ook de boodschap. De fiscale voordelen van het werken met een managementvennootschap 

Zoals reeds vermeld zal het veelal ook hier de fiscaliteit zijn die bepalend is of de managementvennootschap al dan niet zinvol is.  Wie een behoorlijke vergoeding voor zijn mandaat als natuurlijk persoon ontvangt, zal vanzelfsprekend de personenbelasting en de sociale zekerheidsbijdragen moeten ondergaan.

Door te werken met een managementvennootschap kan hij zijn fiscale toestand enigszins optimaliseren. 

Het belangrijkste motief om over te stappen naar het werken met een vennootschap is dus het verschil in tarieven tussen de personenbelasting en de vennootschapsbelasting. 

Naast de fiscale besparing moet wel rekening gehouden worden met de oprichtingskosten en de werkingskosten van deze bijkomende vennootschap.

De progressiviteit van de tarieven in de personenbelasting is veel groter dan in de vennootschapsbelasting. Bovendien moet er inzake personenbelasting rekening worden gehouden met de aanvullende gemeentebelasting. Het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting (33,99 %) is overwegend veel lager dan het hoogste tarief in de personenbelasting (50 %).

 

Inkomstenschijf (geïndexeerd) Tarief personenbelasting (excl gem.belasting) – Aj 2009
0,01 – 7.560 25%
7.560 – 10.760 30%
10.760 – 17.920 40%
17.920 – 32.860 45%
Boven 32.860 50%

 Tarieven sociale zekerheid :

Geïndexeerd inkomen Tarief SZ-bijdragen 2008
0,01 – 49.315,46 22% met een minimum van 628,12/kwartaal
49.315,46 – 72.675,38 14,16% met een maximum van 3.539,29/kwartaal

 

In vergelijking met de tarieven vennootschapsbelasting :

 

Algmeen tarief VenB 33% 33,99% (*)
Verlaagd opklimmend tarief    
0 – 25.000 24,25% 24,98% (*)
25.000 – 90.000 31% 31,93% (*)
90.000 – 322.500 34,5% 35,54% (*)

(*) incl crisisbijdrage van 3%

 

De uiteindelijke belastingfactuur zal in de vennootschap veelal nog lager uitvallen wanneer we rekening houden met de aftrek voor risicokapitaal of de zogenaamde notionele intrestaftrek.

In functie van het (gecorrigeerd) eigen vermogen realiseert de vennootschap een korting op haar fiscale factuur.  Deze aftrek bedraagt voor aanslagjaar 2009 4,307% en voor KMO’s 4;807%.  Volgens bepaalde studies zou hierdoor de fiscale druk in België herleid worden tot gemiddeld 27%.  Dit staat in schril contrast met de personenbelasting.

Het tariefvoordeel tussen de personen- en de vennootschapsbelastig moet echter toch enigszins genuanceerd worden.

Vooreerst is de personenbelasting, die een natuurlijke persoon moet betalen, afhankelijk van een aantal factoren die voor iedere persoon kunnen verschillen.  Ook in de personenbelasting zijn immers een aantal zaken die de fiscale druk verlagen : alimentatie, hypothecaire lening, pensioensparen, enz …

Om van de verlaagde (progressieve) tarieven in de vennootschapsbelasting te kunnen genieten, moet men echter rekening houden met de verplichte minimale loonuitkeringsvoorwaarde (zie verder).  Op dit loon blijven er sociale zekerheidsbijdragen en personenbelasting verschuldigd.

Winsten behaald in de vennootschap kunnen bovendien door de natuurlijke persoon niet worden gebruikt voor privé-uitgaven.

Om het verlaagd tarief vennootschapsbelasting te genieten, moet de vennootschap aan een aantal voorwaarden voldoen.  We vermelden hierbij de vier meest belangrijke.

“De volgende vennootschappen zijn uitgesloten van het verlaagd tarief :

 1.  Vennootschappen die aandelen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50%, hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de aandelen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de aandelen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50% is overschreden, worden de aandelen die ten minste 75% vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen. 

2.  Vennootschappen waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen en die geen door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen zijn.

3.  Vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13% van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk.

4.  Vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging hebben toegekend die gelijk is aan of hoger is dan het belastbare inkomen van de vennootschap, wanneer die bezoldiging minder bedraagt dan 36.000 EUR.  Ook voordelen van alle aard komen in aanmerking

5.      (…)”

De vierde voorwaarde kan bij een managementvennootschap in de twee richtingen werken.  Wanneer u in de exploitatievennootschap de enige bedrijfsleider bent en u voortaan uw mandaat via een vennootschap gaat opnemen, dan geniet uw exploitatievennootschap niet langer het verlaagd tarief.  Uw managementvennootschap daarentegen (mits het respecteren van alle voorwaarden) wel.  Dit kan m.a.w. voor uw exploitatievennootschap een nadeel vormen.  Maar het kan ook in de andere richting werken.  Wanneer uw exploitatievennootschap toch niet aan de voorwaarde voldoet dan kan door te werken met een managementvennootschap er wel een voordeel optreden.  Het maximale verschil tussen het gewoon tarief en het verlaagd tarief bedraagt 3.591,50 euro. 

De onttrekking van de gelden aan de managementvennootschap 

De mogelijkheden om gelden aan de vennootschap te ontrekken kan op verschillende manieren.  We belichten één mogelijkheid nl de dividenduitkering.

Dividenden zijn voor hun volledige bedrag onderworpen aan de vennootschapsbelasting en ondergaan vervolgens, ten laste van de natuurlijke personen, de roerende voorheffing (15% of 25% of 10% indien liquidatie).

Hier is er dus een gecumuleerde fiscale druk. Wat misschien doet overkomen dat een dividenduitkering niet erg voordelig is.  Dit is echter niet altijd het geval.

Bij toepassing van de verlaagde tarieven in de vennootschapsbelasting in combinatie met lage roerende voorheffing, is de toekenning van dividenden alsnog een te overwegen uitkeringspolitiek.

Alles uitkeren als dividend ?  

We moeten met twee zaken rekening houden.  Er bestaat vennootschapsrechtelijk een maximum en fiscaal is er ook een aandachtspunt.

Vennootschapsrechtelijk is het zo dat elke vorm van winstuitkering slechts is toegestaan wanneer op de datum van het afsluiten van het laatste boekjaar het netto-actief zou dalen beneden het gestort kapitaal, vermeerderd met de wettelijke of statutaire reserves

Onder netto-actief begrijpen we : het totaal bedrag van de activa zoals dat blijkt uit de balans, verminderd met de voorzieningen en de schulden.

Fiscaal is er niet zozeer een probleem behoudens dat één van de voorwaarden om het verlaagd tarief te genieten betrekking heeft op het dividend (cfr infra).  Daarom is het belangrijk te voorzien in een ‘planning’ van een dividenduitkering.  Een aantal jaren geen dividend uitkeren en dan éénmalig een groot bedrag onttrekken.  Of een dividend uitkeren in het jaar dat dat de winst beperkt is.

Roerende voorheffing  

Het principe is dat op een dividenduitkering 25% roerende voorheffing dient te worden ingehouden.  Over de bijhorende fiscale impact t.g.v. een dividenduitkering (verlies verlaagd tarief, notionele intrestaftrek, …) hebben we het vroeger reeds gehad.   Hier bekijken we kort een aantal aspecten i.v.m. de roerende voorheffing. Wat is de totale kostprijs van een dividenduitkering ? 

  VENB 33,99 %RV 25 % VENB 33,99 %RV 15 % VENB 24,98 %RV 25 % VENB 24,98 %RV 15 %
Winst voor VENB 100 100 100 100
VENBNetto winst           33,9966,01           33,9966,01           24,9875,02           24,9875,02
RVNetto dividend 16,5049,51 9,956,11 18,7656,26 11,2563,76
Globale belastingdruk 50,49 % 43,89 % 43,74 % 36,24 %

Tarief roerende voorheffing bij een dividenduitkering In principe bedraagt het tarief roerende voorheffing op een dividend 25 %.  Daarnaast bestaat er, onder strikte voorwaarden, een verlaagd tarief roerende voorheffing van 15 %.  Dit verlaagd tarief is van toepassing op de dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 1994 werden. Om het tarief van 15 % te kunnen genieten moeten we kijken naar de voorwaarden van art 269 W.I.B. 1992 : De eerste voorwaarden zijn  : –         de aandelen zijn uitgegeven ter vergoeding van een inbreng in geld;-         de aandelen mogen geen enkel toegekend voorrecht genieten;-         de aandelen moeten vanaf hun uitgifte op naam staan of de aandelen moeten vanaf hun uitgifte gedeponeerd zijn in een dossier open bewaargeving bij een bank.   Maar er dienen nog een aantal bijkomende voorwaarden in de gaten gehouden te worden.   De vennootschap mag geen overname doen van ‘besmette’ activa van ‘besmette’ personen.   Deze ‘besmette’ activa zijn : –         goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt door de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt (de zogenaamde ‘besmette’ personen).-         aandelen die deel hebben uitgemaakt van het privaat vermogen (opgelet hier werd geen periode bepaald) van de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt.-         goederen die voor 1 januari 1994 hebben toebehoord aan een vennootschap waar de overdrager aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot was. Dit betekent dat wanneer een natuurlijk persoon in 1997 een BVBA oprichtte met een inbreng in geld, de verlaagde roerende voorheffing (deels) toch niet in aanmerking komt, wanneer er een quasi-inbreng toegepast werd van activa die door hem reeds voor 1 januari 1994 beroepsmatig werden aangewend.  Dit betekent ook dat indien u aan uw managementvennootschap de aandelen van uw bestaande exploitatievennootschap heeft verkocht uw managementvennootschap voor de roerende voorheffing van 15% niet in aanmerking komt.   Veelal zijn vennootschappen die reeds enkele jaren bestaan uitgesloten van het tarief van 15% roerende voorheffing.  D.m.v. een managementvennootschap kan hier naar de toekomst gedeeltelijk aan verholpen worden. Concreet voorbeeld  Wat betekent dot nu allemaal in praktijk. Een voorbeeld zal hier veel verduidelijken. U bent vandaag privé bedrijfsleider in uw exploitatievennootschap. U ontvangt maandelijks een bezoldiging van 10.000 euro of 120.000 euro per jaar.  U bent alleenstaande en hebt geen personen ten laste.  Zonder managementvennootschap           

Bezoldiging 120.000
            – Sociale zekerheidsbijdrage 12.986
            – Forfaitaire beroepskosten 3.320
            = Belastbaar 103.694
            – Personenbelasting (Aj 2008) 49.664
   
            Netto inkomen (cash) 57.350

 Met een managementvennootschap (bezoldiging 50.000 euro) 

Managementvennootschap 120.000
– Bezoldiging bedrijfsleider 50.000
= Winst 70.000
– VenB (33,99%) 23.793
= Netto winst 46.207
Uit te keren dividend (15% RV) 46.207
            Netto dividend 39.276
Bezoldiging 50.000
            – Sociale zekerheidsbijdrage 10.566
            – Forfaitaire beroepskosten 1.971
            = Belastbaar 37.463
            – Personenbelasting (Aj 2008) 14.230
   
            Netto inkomen (cash) 25.204
TOTAAL 64.480

 In het tweede geval heeft u een totaal inkomen van 64.480 euro (netto bezoldiging + netto dividend).  Zonder een managementvennootschap bedraagt het netto inkomen 57.350 euro (enkel netto bezoldiging);  Een verschil van 7.130 euro of 12% meer.  Het spreekt voor zich dat dit verschil moet afgewogen worden tegenover de meerkost van de managementvennootschap.