//U wordt zelfstandige…

U wordt zelfstandige…

 SOCIAAL VERZEKERINGSFONDS: EEN NOODZAKELIJK KWAAD?

 

Hst 1. De aansluitingsverplichting bij een sociaal verzekeringsfonds

 

A.     Verplichting

 

Elke zelfstandige, helper, werkend vennoot en vennootschapsmandataris die een zelfstandige activiteit in België uitoefent, is onderworpen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen en moet zich na aanvang van de zelfstandige activiteit aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds.
 

1) Zelfstandige
Elke natuurlijk persoon die in België een activiteit uitoefent, die een beroepsinkomen kan opleveren, zonder daarvoor verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst  of statuut. 

2) Helpers 
Elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder hiervoor door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn.
3) Werkende vennoten
Elke natuurlijke persoon
die op een zelfstandige wijze beroepsarbeid verricht in de vennootschap waarvan hij tevens aandelen bezit.In de rechtspraak voegt men daar nog een begrip aan toe : de affectio societatis, nl. de bedoeling van de werkende vennoot om door zijn activiteit het kapitaal dat gedeeltelijk het zijne is te doen. Er is geen affectio societatis wanneer betrokkene slechts één of een miniem aantal aandelen bezit.  Het is dus vereist dat de activiteit wordt uitgeoefend om ingebrachte kapitaal te doen renderen.

Heeft men enkel aandelen maar oefent men geen activiteit uit in de vennootschap dan wordt men beschouwd als een stille vennoot. Zij die uitsluitend kapitaal inbrengen zijn  geen zelfstandigen.
 
4) Mandatarissen in vennootschappen 
Mandatarissen (zaakvoerders, bestuurders, vereffenaars, …), al dan niet bezoldigd, zijn onderworpen aan het sociaal statuut van zodra zij benoemd worden in een vennootschap die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting of aan de belasting der niet-verblijfhouders.   

Uitz. :de vennootschapsmandatarissen met een kosteloos mandaat die de pensioenleeftijd bereikt hebben of effectief een pensioen genieten zijn niet verzekeringsplichtig in het sociaal statuut en moeten zich dus niet aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds.

 

B.     Termijn

 

 

  

Iedere zelfstandige is verplicht om zich binnen de 90 dagen na de start van zijn beroepsactiviteit aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Hij kan zich reeds vóór de start van zijn activiteit aansluiten, maar ten vroegste 6 maanden vóór het begin van de activiteit.  De zelfstandige kiest zelf vrij zijn sociaal verzekeringsfonds. Enkel in geval van laattijdige aansluiting wordt men verplicht aangesloten bij de Nationale Hulpkas.   

C.     Sanctie

 De zelfstandige die zich niet binnen de 90 dagen aansluit bij een sociaal verzekeringsfonds van zijn keuze, wordt door het RSVZ bij aangete­kende brief in gebreke gesteld. Deze “opsporing” van niet-aangeslotene zelfstandigen gebeurt door een vergelijking van de fiscale aangifte van inkomsten als zelfstandige (deel 2 van de belastingsbrief) en het repertorium der zelfstandigen bij het RSVZ.  Vanaf de verzendingsdatum van de ingebrekestelling begint een termijn van 30 dagen te lopen waarbinnen de betrokkene zich voorals­nog kan aanslui­ten bij een sociaal verzekeringsfonds naar keuze. Indien de betrokkene zich binnen deze bijkomende termijn van 30 dagen niet aangesloten heeft, wordt hij ambtshalve aangesloten bij de Nationale Hulpkas. Naast de ambtshalve aansluiting, is hij een verhoging verschuldigd van 3% per kwartaal op de achterstallige sociale bijdragen. Het saldo dat van 31 december naar 1 januari wordt overgedragen, wordt éénmaal verhoogd met 7 %.  

D.    Beloning bij tijdige aansluiting

 Een beginnende zelfstandige die zich binnen de 90 dagen na het begin van zijn activiteit aansluit heeft voor de twee eerste kwartalen van de onderwerping recht op één kwartaal uitstel van betaling.  Concreet moeten de bijdragen van deze twee kwartalen maar betaald worden op het einde van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het sociaal verzekeringsfonds het vervaldagbericht verstuurd heeft. VoorbeeldEen handelaar start zijn zaak op 1 oktober 2002. Hij sluit zich aan op 20 oktober 2002, dus binnen de 90 dagen. De afrekening van de bijdrage voor het laatste kwartaal van 2002 wordt verstuurd in november. Hij heeft dus tot 31 maart 2003 de tijd om de bijdrage van het vierde kwartaal 2002 te betalen. De betaling van de bijdrage voor het eerste kwartaal 2003 kan dan verschoven worden naar 30 juni 2003.

De bijdrage voor het tweede kwartaal moet dan eveneens op 30 juni betaald worden.


Hst 2. De verschillende fondsen en hun verschillen 

Alle sociale verzekeringsfondsen zijn opgericht in de vorm van een VZW en hebben een wettelijk omschreven doel:

  • Berekening en inning van de wettelijk verplichte sociale bijdragen van zelfstandigen;
  • Uitbetaling kinderbijslag voor de zelfstandigen;
  • Inning van de sociale bijdrage van vennootschappen;
  • Advies en beheer inzake Vrij Aanvullende Pensioenen;
  • Advies in verband met het sociaal statuut van de zelfstandige en de toegang tot het beroep;
  • Informatieverlening al dan niet door middel van periodieke publicaties of  nieuwsbrieven.

De wettelijke bijdragen worden door elke sociale kas verhoogd met een door de Minister vastgesteld percentage administratie- of beheerskosten. Deze variëren tussen 3 % en 4,7 %. Adressenlijst van de sociale verzekeringsfondsen en het beheerskosten percentage.  ACERTA                               Sneeuwbeslaan 20, 2610 Wilrijk                             3,00 VEV                                       Brouwersvliet 4/2, 2000 Antwerpen            3,00 Caisse Wallonne                   Chaussée de Marche 637, 5141 Wierde                 3,75 SVMB                                               Spastraat 8, 1000 Brussel                                        3,90 Arenberg                               Arenbergstraat 24, 2000 Antwerpen                       4,00 Groep S                                 Poincarélaan 78, 1060 Brussel                                4,10 Intersociale                           Oorlogskruisenlaan 94, 1120 Brussel                     4,10 Integrity                                 Genèvestraat 4, 1140 Brussel                                 4,20 Maas en Schelde                  Turnhoutsesteenweg 248, 8200 Brugge                  4,20 Multipen                                Van Benedenlaan 32, 2800 Mechelen                    4,45 Steunt Elkander                    Kortenberglaan 69/4, 1000 Brussel             4,45      De Interfederale                   Kortenberglaan 116, 1000 Brussel                         4,70 PARTENA                            Anspachlaan1, 1000 Brussel                                   4,70 Hulp Der Patroons                Leuvenseplein 12/1, 1000 Brussel                          4,70

 

Nationale Hulpkas                Jan Jacobsplein 6, 1000 Brussel                             4,70


 

KOSTENBESPARING IN FUNCTIE VAN BEHEERSKOSTEN PERCENTAGE        
                       
Sommige fondsen hanteren een beheerskost van slechts 3,0%. Bij andere kassen kan dit percentage oplopen tot 4,70 %  
Wat betekent dit in euro's? Hoeveel kan een zelfstandige aan sociale bijdragen uitsparen?        
In de volgende tabel vindt u, uitgaande van de kwartaalbijdrage, het verschil op jaarbasis.          
                       
BESPARING OP JAARBASIS in 2002                    
                       
Fonds waarbij de zelfstandige Sociale bijdrage per kwartaal            
aangesloten is   443,19 500,00 750,00 1000,00 1250,00 1500,00 1750,00 2000,00 2250,00 2897,37
Groep S 4,10% 18,93 21,36 32,04 42,72 53,40 64,08 74,76 85,44 96,12 123,77
ACERTA 3,00% 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
V.E.V. 3,00% 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
S.V.M.B. 3,90% 15,49 17,48 26,21 34,95 43,69 52,43 61,17 69,90 78,64 101,27
De Interfederale 4,70% 29,26 33,01 49,51 66,02 82,52 99,03 115,53 132,04 148,54 191,28
PARTENA 4,70% 29,26 33,01 49,51 66,02 82,52 99,03 115,53 132,04 148,54 191,28
Arenberg (interprofessionele) 4,00% 17,21 19,42 29,13 38,83 48,54 58,25 67,96 77,67 87,38 112,52
Integrity 4,20% 20,65 23,30 34,95 46,60 58,25 69,90 81,55 93,20 104,85 135,02
Maas en Schelde 4,20% 20,65 23,30 34,95 46,60 58,25 69,90 81,55 93,20 104,85 135,02
Intersociale 4,10% 18,93 21,36 32,04 42,72 53,40 64,08 74,76 85,44 96,12 123,77
Multipen 4,45% 24,96 28,16 42,23 56,31 70,39 84,47 98,54 112,62 126,70 163,15
HDP 4,70% 29,26 33,01 49,51 66,02 82,52 99,03 115,53 132,04 148,54 191,28
Steunt elkander 4,45% 24,96 28,16 42,23 56,31 70,39 84,47 98,54 112,62 126,70 163,15
Caisse Wallonne 3,75% 12,91 14,56 21,84 29,13 36,41 43,69 50,97 58,25 65,53 84,39
Nationale Hulpkas 4,70% 29,26 33,01 49,51 66,02 82,52 99,03 115,53 132,04 148,54 191,28


                                    Hst 3. Veranderen van sociaal verzekeringsfonds A.     VoorwaardenEen zelfstandige kan van fonds veranderen mits aan volgende 4 voorwaarden is voldaan : 1) Hij moet minstens 4 volledige kalenderjaren aangesloten zijn bij het fonds dat hij wil verlaten.In geval van tijdige aansluiting begint de termijn te lopen op de 1e dag van het kwartaal waarin de zelfstandige is onderworpen. In geval van laattijdige aansluiting begint de termijn te lopen op de 1e dag van het kwartaal waarin de aansluiting is ondertekend. 

2)      Iedere verandering van fonds heeft pas uitwerking op 1 januari van het jaar volgend op het jaar van de aanvraag, op voorwaarde dat de opzegtermijn van 6 maanden is gerespecteerd

 

3)      De zelfstandige kan niet meer veranderen van fonds nà 1 januari van het jaar waarin hij/zij de pensioenleeftijd bereikt, of waarin hij/zij met vervroegd pensioen gaat.

 

4)  De verandering van fonds is pas mogelijk op voorwaarde dat vóór 1 januari van het jaar van de verandering alle opgevorderde, opeisbare bijdragen aan het fonds dat de zelfstandige wil verlaten, betaald werden.

  

B.     Procedure

 De zelfstandige die van fonds wenst te veranderen, moet 2 formulieren invullen:  1) Een verklaring van ontslag Dit document moet gedateerd en eigenhandig ondertekend zijn door de zelfstandige. De handtekening moet voorafgaan worden door de handgeschreven woorden “Gelezen en goedgekeurd. De ontslagbrief wordt onderschreven en ingediend bij het nieuwe fonds.   2) Een verklaring van aansluiting bij het nieuwe fonds Zowel de ontslagbrief als een kopie van de aansluitingsverklaring worden door het nieuwe fonds met een aangetekende brief verstuurd naar het oude fonds en naar het RSVZ.  Deze betekening moet gebeuren uiterlijk op 30 juni. 
  

AFD 2.  DE SOCIALE BIJDRAGEN

 Hst 1. De berekeningsbasis  A.     Het beroepsinkomen De sociale bijdragen van een zelfstandige worden uitgedrukt in een percentage van de beroepsinkomsten. Beroepsinkomsten zijn:  de bruto beroepsinkomsten, verminderd met de bedrijfsuitgaven, -lasten en -verliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting. Voor de inhoud van het begrip beroepsinkomsten verwijst men dus naar de fiscale wetgeving. Hier onderscheidt men 5 categorieën van beroepsinkomsten: – winsten van nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen;– bezoldigingen van bestuurders, commissarissen en vereffenaars van vennootschappen;– bezoldigingen van bedrijfsleiders  (vanaf aanslagjaar 1998, dus inkomsten 1997);– baten van vrije beroepen;– winsten en baten behaald na de stopzetting. De Administratie der Directe Belastingen deelt op geautomatiseerde wijze en aan de hand van het Rijksregisternummer de zelfstandige inkomens mee aan het RSVZ.  Het RSVZ verdeelt deze gegevens vervolgens over de verschillende verzekeringsfondsen.  B. Het referentiejaar 

De sociale bijdragen worden in de regel berekend op het beroepsinkomen van het derde voorafgaande jaar.

Zo is het inkomen van 2000 het referte-inkomen voor de sociale bijdragen van 2003.

 

Tijdens de eerste 3 volledige jaren van de activiteit worden de sociale bijdragen berekend op het inkomen van het jaar zelf. Er is immers nog geen sprake van een inkomen van 3 jaar geleden.

 

De bijdragen van het eerste onvolledige jaar worden berekend op het inkomen van het eerste volledige jaar. Er wordt immers enkel gerekend met volledige kalenderjaren.

 Voorbeeld Aanvang activiteit als zelfstandige op 1 april 2000. De bijdragen voor 2000 worden berekend op het inkomen van 2001.
 

C.     De brutering van het inkomen

 De brutering is een besparingsmaatregel die is ingevoerd in 1989. Door de brutering wou de toenmalige regering een meeropbrengst aan sociale bijdragen realiseren, zonder te raken aan het bijdragepercentage.  De brutering houdt in dat het referte-inkomen verme­nigvuldigd wordt met het bijdragepercentage dat in het refertejaar van toepassing was.  VoorbeeldVoor de bijdrageberekening van 2003 worden de inkomsten van 2000 verhoogd met het bijdragepercentage dat toen van toepassing was.Dit betekent dat het referte-inkomen verhoogd wordt met 16,7 % tot de inkomensschijf van € 49 993,26 en 12,27 % boven deze schijf. Het beroepsinkomen dat dient voor de berekening van de bijdragen van het eerste volledige kalenderjaar (+ het eerste onvolledige kalenderjaar)  wordt nooit gebruteerd.  D.    De indexering van het inkomen Door de indexering wordt het gebruteerde referte-inkomen aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprij­zen, die zich hebben voorgedaan tussen het bijdragejaar en het refertejaar. De indexering gebeurt aan de hand van een breuk. De noemer van deze breuk is het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprij­zen die van toepassing waren in het refertejaar. De teller duidt het gemiddelde aan van de vermoede indexcijfers der consumptieprijzen voor het jaar waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn.  

Voor het jaar 2002, werd het gebruteerde referte-inkomen verhoogd met 6,88422 %

 

Uitzondering voor beginnende zelfstandigen

 Voor beginnende zelfstandigen geldt een uitzondering op de regels van de indexering : het inkomen van de eerste 3 refertejaren wordt niet geïndexeerd. De bijdrage wordt immers berekend op het inkomen van het jaar zelf, zodat de effecten van de inflatie niet spelen.  

E.  De wettelijke bijdragepercentages

 

Op het gebruteerd en geïndexeerd beroepsinkomen wordt het wettelijk bijdragepercentage toegepast. Dit percentage verschilt naargelang de inkomensschijf.

 

Het bijdragepercentage voor alle bijdragecategorieën gelijk, nl. 4,175 % per kwartaal, uitgezonderd de gepensioneerden die 3,2475 % per kwartaal betalen.

 

Op de inkomstenschijf boven € 49 993,26 (gebruteerd en geïndexeerd) ook genoemd het tussenplafond, bedraagt het bijdragepercentage slechts 3,0675 %. Op de inkomstenschijf boven € 73 127,22 (het absoluut plafond) zijn geen bijdragen verschuldigd. Dit resulteert in een maximum bijdrage van € 2 897,37 per kwartaal.

  F.   Andere verhogingen Na brutering en indexering worden de wettelijke bijdrage-percentages op het referte-inkomen toegepast. Boven de inkomensschijf van € 49 993,26 wordt bovendien nog een forfaitaire toeslag aangerekend van € 8,13 per kwartaal, en € 16,13 boven deze inkomensgrens.  Tenslotte wordt het uitgekomen resultaat nog een laatste maal verhoogd met het beheerskostenpercentage dat het sociaal verzekeringsfonds waarbij men aangesloten is hanteert. 
   Hst 2.  De sociale bijdrage voor de beginnende zelfstandige 

Voor beginnende zelfstandigen gelden aparte regels voor de bijdrageberekening. Men kan immers niet berekenen op het beroepsinkomen van het derde voorafgaande jaar, aangezien dit ontbreekt. Daarom worden de bijdragen van de eerste 3 volledige kalenderjaren  (+ het voorafgaande onvolledige jaar) berekend op het inkomen van het jaar zelf. Aangezien dit inkomen pas gekend is na de fiscale aangifte, betalen de beginnende zelfstandigen een voorlopige bijdrage, die achteraf herberekend wordt op basis van het werkelijk inkomen.

 

A. Voorlopige bijdragen

 

Voor de eerste 3 volledige kalenderjaren van activiteit (+ het voorafgaande onvolledige jaar) worden voorlopige bijdragen aangerekend. Deze bijdragen zijn forfaitair en stemmen overeen met een door de wet vooropgesteld minimum beroepsinkomen.

 

1. Hoofdberoep

 

  VOORLOPIGE BIJDRAGE OVEREENSTEMMENDINKOMEN
 EERSTE JAAR   € 443,19  € 10 306,07
 TWEEDE JAAR   € 515,08  € 10 263,96 
 DERDE JAAR   € 583,44  € 11 626,01

 2. Bijberoep 

  VOORLOPIGE BIJDRAGE OVEREENSTEMMENDINKOMEN
 EERSTE  DRIE JAREN   € 47,46  € 1 103,74

 

3. Artikel 37 (gelijkstelling met een bijberoep)

 

  VOORLOPIGE BIJDRAGE OVEREENSTEMMENDINKOMEN
  NAARGELANG HET VERMOEDELIJK INKOMEN   € 224,74                 € 4 478,25
     € 443,19  € 10 306,07

  B. Vrijwillig hogere voorlopige bijdragen 

De bedragen in de tabel zijn minimale voorlopig bijdragen. Het staat de zelfstandige vrij om hogere voorlopige bijdragen te betalen, berekend op zijn vermoedelijk beroepsinkomen. Een eenvoudig seintje aan het sociaal verzekeringsfonds volstaat om dit inkomen op te geven. Indien nodig, kan het later ook op een vlotte manier opnieuw verlaagd worden.

 

Er bestaan enkele goede argumenten hogere voorafbetalingen te doen.

1)  De zelfstandige moet zich minder verwachten aan een bijbetaling achteraf (die soms zeer hoog kan oplopen);

2)  Hij/zij kan de hogere voorlopige bijdragen onmiddellijk aftrekken in de fiscale aangifte, hetgeen resulteert in lagere belastingen en lagere sociale bijdragen in de 6 eerste jaren (het beroepsinkomen van de eerste drie jaren geldt immers niet alleen voor de berekening van deze jaren maar ook van het 4de, 5de en 6de jaar)

3)  Indien bij de regularisatie blijkt dat het beroepsinkomen overschat werd en de zelfstandige bijgevolg te hoge voorafbetalingen heeft gedaan, dan wordt het verschil terugbetaald met een moratoire intrest van 8 % per jaar.

 

Opgelet : de teveel betaalde bijdragen, inclusief de moratoire intrest, worden beschouwd als een beroepsinkomen in het jaar van de terugbetaling, tenzij voor de genieters van inkomens die als “baten” gekwalificeerd worden.

    C. Regularisatie 

De voorlopige bijdragen van de eerste 3 jaren worden, indien nodig, geregulariseerd. Deze bijdragen zijn immers berekend op een geraamd inkomen, dat niet noodzakelijk overeenstemt met het werkelijk inkomen.

Indien blijkt dat het werkelijk inkomen hoger ligt, dan moet de zelfstandige het verschil bijbetalen.

De regularisatie gebeurt op het ogenblik dat het werkelijk inkomen gekend is. Hiervoor zijn de sociale verzekeringsfondsen afhankelijk van de fiscus. De fiscus deelt de inkomsten mee aan de fondsen na twee à drie jaar.

 

De regularisatiebijdragen moeten betaald worden vóór het einde van het kwartaal volgend op de ontvangst van de afrekening. Pas nadien zijn intresten verschuldigd op deze bijdragen.

 
 Voorbeeld:

START De sociale bijdragen van het jaar … … worden berekend op het inkomen van : … worden vermoedelijk geregulariseerd in de loop van :
2.7.2002      
   2002(2kw) (voorlopig)           2003       2005
       2003   (voorlopig)           2003       2005
       2004   (voorlopig)           2004       2006
       2005   (voorlopig)           2005       2007
       2006   (definitief)           2003  
       2007   (definitief)           2004..  

 Het inkomen van 2003 is dus voor 2,5 jaar de basis voor de sociale bijdragen. Dit betekent dat op dat inkomen 42,5 % sociale bijdragen moeten betaald worden. (+/- 17 % x 2,5 = 42,5 %) !!

De sociale bijdrage van 2002/4 mag doorgeschoven worden naar 2003/1


   D.  Bijdragevermindering in het vierde jaar 

Voor zelfstandigen die zich voor de eerste keer vestigen in hoofdberoep, wordt een bijdragevermindering voorzien van 15% per kwartaal op de bijdragen van het vierde jaar.

 

 De vermindering wordt berekend na brutering, maar zonder beheerskosten. De vermindering wordt beperkt één enkel jaar en tot € 125,00 per kwartaal.

 

Eerste vestiging : hieronder verstaat men personen die gedurende minder dan 3 jaar ononderbroken zelfstandige in hoofdberoep geweest zijn. Jaren in bijberoep tellen dus niet mee om de grens van 3 jaar te bepalen.

 
Hst 4.   De sociale bijdragen 

 

     Hst 5.  De vrijstelling van de sociale bijdragen Een zelfstandige in hoofdberoep die zich in "staat van behoefte" bevindt, kan bij zijn sociaal verzekeringsfonds een aanvraag indienen tot vrijstelling van een aantal kwartalen van de verschuldigde sociale bijdragen. Deze aanvraag wordt doorgestuurd naar het Ministerie van Middenstand waar een “commissie voor vrijstelling” zich over de vrijstellingsvraag zal uitspreken. Behoeftigheid is een subjectief begrip. De Commissie zal zich bij de beoordeling zoveel mogelijk laten leiden door objectieve criteria zoals:– de bedrijfsinkomsten van de aanvrager;– zijn andere inkomsten;– de samenstelling van zijn gezin;– de inkomsten van de personen die deel uitmaken van zijn gezin;– zijn schulden;– de buitengewone uitgaven waaraan hij het hoofd moet bieden;– zijn gezondheidstoestand,– …" Het genot van het bestaansminimum van het OCMW kan in de praktijk een indicatie zijn voor de staat van behoefte.    B.  Gevolgen voor de sociale uitkeringen Gevolgen voor het pensioen De kwartalen waarvoor vrijstelling wordt gekregen openen geen recht op een rust- of overlevingspensioen.  Om zijn pensioenrechten te vrijwaren, kan de zelfstandige de vrijgestelde kwartalen achteraf toch nog regulariseren. Hij moet hiervoor echter de volledige bijdrage van het betrokken kwartaal betalen.  Opmerking:

Indien de betrokkene arbeidsongeschikt erkend wordt in een kwartaal waarvoor vrijstelling werd verleend, kan hij genieten van de gelijkstelling wegens ziekte. In dat geval opent het kwartaal toch recht op een pensioen.

 Gevolgen voor de ziekteverzekering   De vrijstelling doet geen afbreuk aan de rechten van de betrokkene op het vlak van de ziekteverzekering. Het sociaal verzekeringsfonds levert een bijdragebon af met een code die verwijst naar de vrijstelling.    Gevolgen voor de gezinsuitkeringen Een vrijstelling doet het recht op kinderbijslag niet vervallen. Het recht kan echter wel tijdelijk geschorst worden. De uitbetaling van de kinderbijslag is immers afhankelijk van de voorwaarde dat de bijdragen van het tweede en derde voorafgaande kwartaal betaald zijn.  Zolang er echter voor deze kwartalen nog geen vrijstelling verleend is en de beslissing nog hangende is, wordt er geen kinderbijslag uitbetaald. 

AFD 3. DE SOCIALE UITKERINGEN

 Hst 1. De pensioenen

             

A.           De principes van de berekeningDe pensioenleeftijd is bepaald op 65 jaar. Het pensioen gaat in vanaf de maand volgend op de 65° verjaardag. Men kan vervroegd met pensioen gaan vanaf 60 op voorwaarde dat men een loopbaan heeft van minstens 32 jaar.  Er wordt dan wel een vermindering van 5% per jaar vervroeging toegepast. Dit verlies blijft behouden.Voor de vrouwen wordt de pensioenleeftijd tegen 2009 progressief ook op 65 jaar gebracht. Vanaf 2003 is de pensioenleeftijd 63 jaar.Vrouwen kunnen eveneens vanaf 60 vervroegd met pensioen gaan. Voor de vaststelling van het rustpensioen houdt men rekening met de beroepsloopbaan en met het jaarlijks verdiende inkomen. Sinds 1984 zijn dat de reële aangegeven inkomens, daarvoor waren het forfaitaire bedragen gelijk voor elke zelfstandige. De jaren tussen de eerste januari van de 20ste verjaardag en 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het pensioen, komen in aanmerking. Voor een man is dit dus 45, voor een vrouw 43.  Voorbeeld:Een man is vanaf zijn 26° tot zijn 65° zelfstandige geweest. Hij zal een pensioenbreuk hals zelfstandige hebben van 40/45 Was hij  vanaf zijn 20 ° reeds actief als werknemer, dan zal hij bovendien aanspraak kunnen maken op een pensioen van 5/45 als loontrekkende.   B.     De mogelijkheid tot regularisatie studiejaren 

De jaren van dagonderwijs vanaf de leeftijd van 20 jaar, kan men laten gelijkstellen met gewerkte periodes voor zover men binnen de 180 dagen na het einde van de studies zich als zelfstandige heeft gevestigd.

Men doet daarvoor een gemotiveerde aanvraag bij het RSVZ of bij uw sociaal verzekeringsfonds

 

Men betaalt hiervoor een vergoeding die berekend wordt op uw eerste werkelijke kwartaalbijdrage.  Voor een regularisatie van het schooljaar 1999 betaalt men per kwartaal en afhankelijk van het inkomen minimum € 253,22 en maximum € 1 597,01.

Bovendien wordt een jaarlijkse interest van 6,5 % aangerekend.

 

De gestorte bedragen worden fiscaal als sociale bijdragen behandeld. Men geniet dus een belastingsvermindering en een inkomensvermindering zodat over 3 jaar minder sociale bijdragen moeten betaald worden.

 

Een geregulariseerd jaar brengt, uiteraard afhankelijk van het gestorte bedrag, gemiddeld  € 100 per jaar bijkomen pensioen op.

  Hst 2. De geneeskundige zorgen A..  Verzekering grote risico's Zelfstandigen zijn in het wettelijk stelsel enkel verzekerd voor de grote risico's.  Hieronder verstaan we onder andere: Ø      grote heelkundige ingrepen met inbegrip van de anesthesie + assistentie + operatieve hulp;Ø      verlossingen;Ø      RX-opnamen;Ø      radio- en radiumtherapie;Ø      klinische biologie (speciale labonderzoeken);Ø      reanimatie;Ø      verblijfkosten in ziekenhuis (ligdagprijs + toezichthonorarium + geneesmiddelen);Ø      de revalidatie en herscholingsverstrekkingen;Ø      rolwagentjes en toestellen voor hulp bij het lopen;Ø      synthesemateriaal;Ø      nierdialyse in het ziekenhuis of thuis. De door het ziekenfonds terugbetaalde tarieven, voor de bovengenoemde grote risico's, zijn dezelfde als deze bij loon- en weddetrekkenden.  B.  Verzekering kleine risico's  De andere risico's, de zogenaamde kleine risico's (raadplegingen bij artsen, kinesisten, …),  zijn niet opgenomen in het wettelijk sociaal stelsel voor zelfstandigen.Wensen zij óók deze risico's te verzekeren, dan moeten zij hiervoor een afzonderlijke verzekering afsluiten bij hun ziekenfonds.  Hiervoor dient een afzonderlijke bijdrage betaald te worden, meestal afhankelijk van de mutualiteit, de gezinssituatie en de leeftijd.   Hst 3. De Uitkeringen in geval van arbeidsongeschiktheid A.  De uitkering arbeidsongeschiktheid

De zelfstandige, de helper, en de vrijwillig verzekerde meewerkende echtgeno(o)t(e) die arbeidsongeschikt wordt ingevolge ziekte of ongeval krijgt vanwege zijn ziekenfonds een dagvergoeding ter compensatie van het inkomensverlies. Men moet volledig arbeidsongeschikt erkend worden door de adviserende geneesheer van het ziekenfonds en alle persoonlijke beroepsactiviteiten stopzetten. Deze uitkering wordt slechts toegekend vanaf de 2de maand van de ongeschiktheid.

 

Uitkeringen (vanaf 01.07.2002)

Gezinshoofd

Niet-gezinshoofd

Eerste maand

0 EUR/dag

0 EUR/dag

Vanaf de 2de maand

29,93 EUR/dag

22,45 EUR/dag

Vanaf de 13de maand

Met stopzetting activiteit

30,13 EUR/dag

33,04 EUR/dag

22,60 EUR/dag

24,78 EUR/dag

 

De aangifte van de ongeschiktheid moet gebeuren bij het ziekenfonds binnen de 28 dagen, doormiddel  van een “verklaring van arbeidsongeschiktheid”, ingevuld door de behandelende geneesheer.

B. De moederschapsuitkeringVanaf de dag die volgt op de bevalling, zijn er drie weken voorzien, waarvoor de rechthebbende (de vrouw zelfstandige of de vrijwillig verzekerde meewerkende echtgenote), een forfaitaire moederschapsvergoeding ontvangt.

Gedurende deze periode, kan de rechthebbende geen aanspraak maken op ongeschiktheidsvergoedingen of op invaliditeitsvergoedingen.De aanvraag voor moederschapsvergoeding moet ingediend worden bij de medische adviseur van het ziekenfonds, vergezeld van een geboorte-uittreksel of van een medisch attest dat de bevalling bevestigt.

De vergoeding bedraagt € 962,03. Hst 4. De gezinsbijslagenDe zelfstandige in hoofdberoep zal voor de kinderen ten laste rechten openen op kinderbijslag voor zover de partner zelf geen ander (minstens halftijds) beroep uitoefent waardoor er recht op kinderbijslag zou bestaan in het stelsel van de loontrekkende of de ambtenaren.

De kinderbijslag voor het eerste kind is voor een zelfstandige beduidend minder dan voor een loontrekkende (€ 36,93 tegenover € 72,61). Bovendien wordt er voor het eerste kind geen leeftijdsbijslag toegekend.Ingeval van geboorte wordt een kraamgeld uitbetaald van € 983,68  voor het eerste kind en    € 740,10 voor een volgend kind.  Hst 5. De voortgezette verzekering Iedere zelfstandige kan, na de stopzetting van de activiteit, nog opteren voor een voortgezette verzekering voor maximum twee jaren.  In dit geval betaalt men verder sociale bijdragen. Men behoudt op die manier zijn rechten inzake kinderbijslag, ziekte- en invaliditeit en pensioen. De voortgezette verzekering kan u ook aanvragen wanneer de activiteit wordt gestaakt binnen de vijf jaar vóór het bereiken van de pensioenleeftijd, en dan ook maximum voor vijf jaren. Beide periodes kunnen gecombineerd worden als ze op elkaar aansluiten, zodat men in dat geval aan een maximumtermijn van 7 jaren kan komen. Wanneer een zelfstandige zijn activiteit stopt en niet onmiddellijk met een andere activiteit begint, kan hij, om in orde te blijven met de ziekteverzekering, tak geneeskundige zorgen, niet onmiddellijk opgenomen worden in de categorie van de zogenaamde ‘verblijvenden in België’ (vroeger de “niet beschermde personen” Deze zelfstandige wordt immers door de ziekteverzekering verplicht om gedurende de niet-arbeidende periode, en dit gedurende twee jaar, zichzelf in regel te stellen via de voortgezette verzekering.  Pas nadien kan hij opteren voor een verzekering als “verblijvende”. De voortgezette verzekering moet via het sociaalverzekeringsfonds aangevraagd worden.  Hst 6. De faillissementsverzekering Elke zelfstandige, zaakvoerder, bestuurder of werkende vennoot van een handelsvennootschap die failliet verklaard werd, kan de verzekering in geval van faillissement aanvragen bij zijn sociaalverzekeringsfonds, op voorwaarde dat hij reeds minstens 1 jaar in hoofdberoep zelfstandige is.  Hierdoor kan de gefailleerde gedurende maximum zes maanden na het faillissement geniet men een maandelijkse uitkering. Deze bedraagt :                       * gedurende de eerste 2 maanden                   

zonder persoon ten laste  684,23 euro
met minstens 1 persoon ten laste  821,08 euro

                    * van de vierde tot en met de zesde maand  

zonder persoon ten laste  547,39 euro
met minstens 1 persoon ten laste  410,54 euro

  Bovendien wordt gedurende maximum vier kwartalen de rechten op ziekteverzekering en kinderbijslag zonder bijdragebetaling gevrijwaard. 

De aanvraag moet per aangetekende brief gebeuren bij het sociaalverzekeringsfonds vóór het einde van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het faillissement werd uitgesproken.

    

AFD 4. AANVULLENDE SOCIALE VERZEKERINGEN

 Hst 1. Het vrij aanvullend pensioen

 

A. Voor wie?

 Een vrij aanvullende pensioenverzekering kan afgesloten worden door de zelfstandige in hoofdberoep, of door de zelfstandige in bijberoep, voor zover hij – op grond van de belangrijkheid van zijn inkomsten – sociale bijdragen betaald gelijk aan deze voor een  hoofdberoep
 B. Uitsluitingen * De zelfstandigen die aangesloten zijn bij een aanvullend pensioenstelsel, ten voordele van het personeel van de onderneming, waar hij zijn zelfstandige activiteit uitoefent (bijvoorbeeld: groepsverzekering);
 * Diegenen die reeds fiscaal aftrekbare pensioenbijdragen storten aan: – een pensioenfonds, opgericht voor de zorgenverstrekkers (Voorzorgskas der Geneesheren, Tandartsen en Apothekers); – een pensioenfonds, opgericht door een beroepsorganisatie (Voorzorgskas der Advocaten en Gerechtsdeurwaarders);  Pensioensparen of een contract voor een individuele levensverzekering is wel cumuleerbaar.  

C. Premie

 De zelfstandige kan kiezen tussen een jaarlijkse minimum-premie van 1 % tot maximum 7 % van zijn netto-belastbaar inkomen waarop de sociale bijdragen worden berekend (inkomen van 3 jaar geleden). Dit geeft een premie tussen 120,24 EUR en 583,25 EUR per kwartaal, naar keuze.

D. Premiebedrag in geval van begin van de activiteit

 Aangezien het niet mogelijk is, de premie te berekenen op basis van de beroepsinkomsten van het referentiejaar (drie jaar voordien), kunnen de beginnende zelfstandigen VAP bijdragen betalen op basis van hetzij het inkomen waarop de minimumbijdragen berekend worden, hetzij op het hogere geraamde inkomen.
Na drie jaar – wanneer de werkelijke inkomsten gekend zijn – , worden in principe geen regularisaties op de gestorte VAP bijdragen toegepast.

E. Tijdstip van de premiebetaling

 Een grote soepelheid wordt toegestaan wat het storten der premies betreft; de storting kan gestaakt of opgeschort worden. Zij zijn  betaalbaar, maar ze kunnen ook in eenmaal betaald worden. Ten laatste moet de betaling gebeurd zijn op 31 december van het lopend jaar.
 
 

F. Voordelen

 – Indien de zelfstandige gehuwd is, bouwt hij door zijn premies volgende voordelen op: *een bijkomend rustpensioen (kapitaal bij leven, dit is de gestorte netto premies, verhoogd met een gewaarborgde intrest (3,75%) en deelname in de winsten). Dit wordt uitgekeerd bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of het ingaan van een vervroegd rustpensioen; en * een bijkomend overlevingspensioen (kapitaal overlijden) ten gunste van de echtgeno(o)t(e), in geval van overlijden voor de eindvervaldag van het VAP-contract.  – Indien de zelfstandige niet gehuwd is, vestigt hij enkel een bijkomend rustpensioen (kapitaal leven).

 

G. Fiscale voordelen

 De premies zijn volledig aftrekbaar als beroepskosten, op dezelfde wijze als de gewone sociale bijdragen.
Hierdoor geniet men niet alleen een belastingsbesparing maar ook (binnen 3 jaar) een vermindering van de sociale bijdragen (tenzij het inkomen hoger is dan het maximum bedrag waarop deze bijdragen berekend worden, zijnde
  € 73 127,22)
De deelnames in de winsten worden niet belast.
 

Op het einde van het contract, zal het ontvangen kapitaal (de deelnames in de winst niet in aanmerking genomen) gespreid over een periode van 10 jaar moeten aangegeven worden en dit naar rato van 5 % per jaar. In de meeste gevallen zal hierdoor geen of slechts een gering bedrag aan belastingen moeten betaald worden.  Hst 2. De aanvullende verzekering gewaarborgd inkomen De zelfstandige die arbeidsongeschikt wordt ingevolge ziekte of ongeval krijgt vanwege zijn ziekenfonds en op basis van zijn verplichte sociale bijdragen, een dagvergoeding ter compensatie van het inkomensverlies. Men moet volledig arbeidsongeschikt erkend worden door de adviserende geneesheer van het ziekenfonds en alle persoonlijke beroepsactiviteiten stopzetten. Deze uitkering wordt slechts toegekend vanaf de tweede maand van de ongeschiktheid. Het maximum uitgekeerde maandbedrag is  € 605.  De zelfstandige die een hogere daguitkering verlangt, kan een bijkomende verzekering afsluiten bij een private verzekeringsmaatschappij. De kostprijs is afhankelijk van het gewenste bedrag, de leeftijd en vooral van het risico eigen aan het beroep.Een gemiddeld jaarlijkse premie bedraagt ongeveer € 1 000De premie is een fiscaal aftrekbare beroepskost.    Hst 3. De verzekering “kleine risico’s” Via de sociale bijdragen zijn de zelfstandigen in hoofdberoep alleen verzekerd voor de "grote risico's" (bv. de kosten bij ziekenhuisopname, zorgen bij bevalling, ernstige medische behandelingen,…). De zelfstandige kan zichzelf en zijn personen ten last, vrijwillig laten verzekeren voor de "kleine risico's" (gedeeltelijke terugbetaling van consultatie geneesheer en specialist, geneesmiddelen, kinesitherapie,…). De kostprijs kan verschillen naargelang het ziekenfonds, afhankelijk van gezinssamenstelling en leeftijd. De normale bruto kostprijs moet geraamd worden op ongeveer € 500 per jaar. De aan het ziekenfonds betaalde bijdrage voor de kleine risico's is fiscaal aftrekbaar.BELANGRIJK: Bij de overgang van het statuut van gerechtigde op kleine risico's (zowel de gerechtigde als de persoon ten laste) naar het statuut van de zelfstandige blijft het recht op de kleine risico's behouden tot het einde van het 2de kwartaal volgend op het kwartaal waarin men zelfstandig werd. Op deze regel is echter een uitzondering. Er is geen uitlooprecht voor kinderen van zelfstandigen die als personen ten last voor de kleine risico verzekering waren.VoorbeeldDe zoon-student van een loontrekkende ouder wordt op 01.04.2003  zelfstandige.     Hij behoudt de kleine risico's tot 31.12.2003.  

           

AFD 5. INTERESSANTE SAMENWERKINGSVORMEN

 Hst 1. Samenwerken met andere zelfstandigen A.           De meewerkende echtgeno(o)t(e) – Vanaf 2003Vanaf 2003 zijn de meewerkende echtgenoten die geen eigen statuut hebben, verplicht om zich aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Zij moeten dan en een bijdrage betalen voor de verzekering arbeidsongeschiktheid. Er ontstaat een wettelijk vermoeden dat de partner van een zelfstandige die geen eigen beroep heeft of geen sociale uitkeringen geniet,  meewerkt in de zaak. Enkel een verklaring op eer kan dit vermoeden weerleggen. De verzekerde meewerkende echtgeno(o)t(e) die arbeidsongeschikt wordt, zal een uitkering van het ziekenfonds genieten aan de bedragen die gelden voor de alleenstaanden.  – Vrijwillige toetreding tot volledig statuut vanaf 2003Tussen 2003 en 2006 kan de meewerkende echtgeno()t(e) vrijwillig  toetreden tot het volledige statuut.In dat geval wordt aan de meewerkende echtgen(o)t(e) een fictief inkomen toegekend van 30 % van het inkomen van de zelfstandige. Er kan ook een hogere verhouding overeengekomen worden op voorwaarde dat de verstrekte hulp omvangrijker is.  Is een vrijwillige toetreding tot het volledig statuut aan te raden of niet?  * Verhoging van de sociale bijdragen Voor gezinnen met een modaal tot hoger inkomen wordt de sociale bijdrage van de man gesplitst over man en vrouw op basis van de fiscale splitsing van het inkomen. Omdat het gaat over een splitsing, brengt het nieuw statuut voor deze gezinnen geen extra financiële lasten met zich. Voor deze gezinnen kost het dus niets. Gaat het evenwel om gezinnen met een lager beroepsinkomen (tot ongeveer 11 000 euro per jaar) dan zal niet alleen de zelfstandige maar ook de meewerkende echtgen(o)t(e) de minimumbijdrage moeten betalen. Voor heel veel gezinnen betekent  dit een verzwaring van de sociale bijdragen. * Pensioenvoordeel? Het nieuw statuut zal voor de meewerkende echtgen(o)t(e) geen pensioenvoordeel opleveren. Want om een eigen pensioen te kunnen genieten, moet de meewerkende echtgen(o)t(e) in de regel 30 jaar lang betalen. Een aantal onder hen zal daar nooit toe komen. Indien er evenwel in het verleden reeds een pensioenvorming is geweest  (omdat voor het huwelijk reeds enkele jaren gewerkt werd als loontrekkende), moet men individueel nagaan of een toetreding al dan niet voordelig is voor het pensioen. Men moet hierbij ook incalculeren dat de toetreding tot het volledig statuut voor gevolg kan hebben dat het pensioen van de zelfstandige zelf naar beneden gaat, want door de afsplitsing van het inkomen worden minder bijdragen betaald.    * ZiekteverzekeringOok wat de ziekteverzekering betreft (grote risico’s) is de volledige onderwerping aan het sociaal statuut voor de meewerkende echtgen(o)t(e) niet altijd een goede zaak. Er zal nu een tweede verzekering tegen de kleine risico’s moeten afgesloten worden. Voor een aantal ziekenfondsen kan de kostprijs voor twee gerechtigden hoger zijn dan één “gezinsverzekering”. In geval van echtscheiding zal het ziekenfonds de meewerkende echtgen(o)t(e) verplichten om gedurende 2 jaar sociale bijdragen te blijven betalen aan de voortgezette verzekering. * Kinderbijslagen In de sector van de kinderbijslagen geldt dezelfde genuanceerde beoordeling. Dank zij een eigen statuut wordt de vrouwelijke meewerkende echtgenoot rechthebbende in eigen naam. Maar ook de man (zelfstandige) blijft rechthebbende en hij blijft wettelijk voorrang hebben op de vrouw. Zijn bijdragen moeten dus in orde zijn om kinderbijslagen te kunnen genieten.Na een echtscheiding verliest de vrouw het statuut van meewerkende echtgenote. Zij zal dan voor het recht op kinderbijslag opnieuw afhankelijk worden van de bijdragen van de ex-echtgenoot. Concreet betaalt men 2 maal sociale bijdragen voor de sector van de kinderbijslagen, en er wordt niets aan de rechten gewijzigd. Kortom: toetreden tot het volledig statuut biedt voordelen voor een aantal mensen en situaties, voor anderen is het eerder neutraal, weer anderen zullen er nadeel bij doen. Iedere meewerkende echtgenote zal vanaf 2003 dus voor zichzelf moeten beslissen of ze toetreedt of niet.   – Vanaf 2006 Vanaf 2006 moeten alle meewerkende echtgenoten, jonger dan 50 jaar, aansluiten voor het volledig sociaal statuut, dus ook voor de geneeskundige verzorging, de kinderbijslagen en de pensioenen.     B.           De helper Onder helper wordt verstaan: "Iedere persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden." Wanneer een helper tegenover de zelfstandige in een verhouding van onderge­schiktheid staat, is hij verbonden door een arbeidsovereenkomst en is hij dus geen zelfstandige, maar wel loontrekkende.  De activiteit van de helper moet erin bestaan om de zelfstandi­ge persoonlijk bij te staan of te vervangen. Men kan dus nooit helper zijn van een vennootschap. Een natuurlijk persoon kan geen juridische persoon bijstaan. 
In bepaalde gevallen, kan een mandataris van een vennootschap – die aan het sociaal statuut der zelfstandigen moet onderworpen zijn – geholpen worden door een natuurlijk persoon, op voorwaarde dat deze hulp uitsluitend de zelfstandige ten goede komt en dat het loon uitsluitend aan de helper wordt betaald door deze zelfstandige.
 Wettelijk is het statuut van helper niet beperkt tot bloed- of aanverwanten.  In de praktijk is het voor niet-verwanten veel moeilijker om aan te tonen dat men niet onder gezag staat. Voor samenwoonenden wordt doorgaans wel aanvaard dat de ene de andere kan helpen. Aan de helper is men niet verplicht om een vergoeding te betalen. Nochtans zijn zowel de bezoldigde als de onbezoldigde helpers verzekeringsplichtig en moeten dus aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds.   

    

 Niet-verzekeringsplichtige helpers

 Bepaalde categorieën van helpers zijn echter niet onderworpen aan het sociaal statuut. Deze personen moeten zich, alhoewel zij wel degelijk helper zijn, niet aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds en geen sociale bijdragen betalen.     Helpers jonger dan 20 jaar. Helpers moeten zich pas aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds vanaf 1 januari van het jaar in de loop waarvan zij de leeftijd van 20 jaar bereiken, tenzij ze gehuwd zijn vóór deze datum. Wanneer de betrokkene echter huwt, is hij verzekeringsplichtig vanaf het kwartaal tijdens hetwelk het huwelijk werd gesloten.   Voorbeeld Een zoon helpt zijn vader op het ouderlijk bedrijf tijdens de weekends. Hij helpt zijn vader reeds vanaf zijn 17 jaar. Hij moet zich dus pas aanslui­ten  vanaf het jaar waarin hij 20 wordt.         Toevallige helpers De personen die slechts toevallig een activiteit uitoefenen als helper, zijn evenmin verzekeringsplichtig. De bezigheid als helper wordt geacht toevallig te zijn in 2 gevallen.           a. Studenten die recht geven op kinder­bijslag;               Om het recht op kinderbijslag te behouden, moeten de studenten van minder dan 25 jaar  hun beroepsactiviteit beperken tot minder dan 80 uren per maand. Volgens een ministeriële onderrichting geldt er een vermoeden dat de grens van 80 uren maar gerespecteerd is, indien betrokkene vrijstelling van sociale bijdragen gekregen heeft omdat hij student is (artikel 37).Zonder deze vrijstelling wordt de kinderbijslag geschorst en kan betrokkene ook niet meer beschouwd worden als “toevallige helper”.              Dit vermoeden kan echter weerlegd worden. Wanneer het inkomen te hoog is om vrijstelling te krijgen, kan de student met een attest van zijn opdrachtgever waaruit blijkt dat hij minder dan 80 uren per maand heeft werkt, het vermoeden weerleggen en verder rechtgeven op kinderbijslag.            b. Niet regelmatige activiteit van  minder dan 90 dagen per jaar  Beide voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn om te kunnen spreken van een toevallige activiteit. Zo kan bijvoorbeeld de hulp in een bepaald jaar beperkt blijven tot 70 dagen, maar toch kan er onderworpenheid zijn omdat de activiteit ieder jaar zich ieder jaar opnieuw voordoet en dus een regelmatig karakter verkrijgt.           Voorbeeld             -Een dochter die haar ouders jaar na jaar in juli en augustus bijstaat bij de exploitatie van een herberg.             -Iemand die gedurende meerdere jaren na elkaar helpt om  telefoongidsen rond te dragen.  C.     De gepensioneerde zelfstandige Gepensioneerden mogen met behoud van hun pensioen nog een zelfstandige beroepsbezigheid uitoefenen, mits ze zich houden aan volgende voorwaarden :

·      Elke beroepsbezigheid moet vooraf door middel van een “formulier 74” gemeld worden bij de pensioendienst uiterlijk binnen de 30 dagen volgend op de aanvang van de bezigheid of volgend op de datum van de betekening van de pensioen beslissing.

·      De inkomsten die voortvloeien uit die beroepsbezigheid moeten beperkt worden tot  vastgelegde toegelaten grenzen die verschillend zijn naargelang men een vervroegd

 dan wel een wettelijk pensioen geniet :

Inkomstengrens Vervroegd 
rustpensioen
Volledig rustpensioen
Jaarbedrag zonder kinderlast € 5 937,23 € 8 676,27
Jaarbedrag met kinderlast € 8 905,89 € 11 644,90

 Opmerkingen :– Aan de voorwaarde van de kinderlast moet steeds voldaan zijn op 1 januari. Indien in de loop van het jaar het kind ophoudt ten laste te zijn, blijven de verhoogde grenzen van toepassing tot het einde van dat jaar. 

– Als het pensioen slechts voor een gedeelte van het kalenderjaar toegekend is, moet het grensbedrag berekend worden in verhouding tot dat gedeelte.

 

  – Indien het toegelaten bedrag met maximaal 15 % wordt overschreden, wordt het pensioen voor dat jaar met eenzelfde percentage verminderd. Een overschrijding met meer dan 15 % doet het pensioen voor dat jaar volledig verloren gaan.

  Vrijstellingsgrens sociale bijdragen 

Gepensioneerden mogen een jaarlijks zelfstandig inkomen van 2 207,49 euro ontvangen zonder sociale bijdragen te moeten betalen.

  D. De zelfstandige in bijberoep 

Om als zelfstandige in bijberoep gecatalogeerd te worden moet men zich in een situatie bevinden waarbij men reeds sociale rechten verwerft.

           

1.      Een andere betrekking Wanneer de zelfstandige naast zijn zelfstandige activiteit nog minstens halftijds een andere activiteit uitoefent op een gewoonlijke en hoofdzakelijke wijze, wordt hij beschouwd als zelfstandige in bijberoep. Voor een tewerkstelling in het onderwijs is minstens 6/10 van een volledig uurrooster noodzakelijk.  2. Internationale aspecten Eveneens een activiteit die in het buitenland wordt uitgeoe­fend, komt in aanmer­king genomen als het hoofdberoep, op voor­waarde dat het gaat om een tewerkstel­ling in een land van de Europese Economische Ruimte of in een land waarmee België een bilateraal verdrag gesloten heeft. Het betreft:* Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frank­rijk, Italië, Ierland, Groot-Brittanië, Spanje, Portugal, Grieken­land, Denemarken, Zweden, Oostenrijk en Finland.* Ijsland, Noorwegen en Liechtenstein.* Canada, Turkije, U.S.A., Zwitserland, Oostenrijk.  3.  Vrijwaring van de pensioenrechten     Wanneer men zijn hoofdzakelijke beroepsbezigheid niet meer effectief uitoefent, maar zich bevindt in een gelijk­ge­stelde periode, blijft men zelfstandige in bijberoep.  * Tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid In het stelsel der werknemers wordt men als arbeidsongeschikt erkend wanneer het verdienvermogen verminderd is tot 1/3 of minder van wat een ander persoon van dezelf­de stand en opleiding kan verdienen. Men moet elke werkzaamheid stopzetten. Men kan echter wel met toelating van de adviserend geneesheer een beroeps­activiteit uitoefenen tijdens de periode van arbeidsongeschikt­heid. Gedurende deze periode wordt men beschouwd als zelfstandige in bijberoep. De beroepsinkomsten uit deze toegelaten activiteit zijn niet onbe­perkt cumuleerbaar met de uitkeringen. Men mag slechts 50% (of 25% zonder gezinslast) van de uitkering bijverdienen.  * Tijdens de werkloosheid Een werknemer behoudt zijn pensioenrechten eveneens wanneer hij een werkloosheids­uitkering ontvangt. Wanneer hij tijdens deze periode een zelfstandige activiteit uitoefent, is hij zelfstandige in bijberoep.  Het uitoefenen van een bijberoep tijdens de werkloosheid is enkel toegelaten onder volgende voorwaarden:– men moet aangifte doen van de activiteit;– men oefende deze activiteit reeds uit gedurende de tewerkstelling als werknemer en dit gedurende tenminste 3 maanden;– men mag deze activiteit slechts uitoefenen na 18 uur 's avonds en vóór 7 uur 's morgens;– het mag niet gaan om  een typisch avondberoep of een beroep in de bouw- of horecasector;De beperking qua uren (7 – 18 uur) geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen. Deze dagen mag men onbeperkt werken, maar de uitkering wordt verminderd met het aantal zater- en zondagen dat men gewerkt heeft. De inkomsten uit de nevenactiviteit mogen slechts gecumuleerd worden met de werkloosheidsuitkering ten belope van 30 % van het maximumbe­drag van de werkloosheids­uitkering.    *  Tijdens de opzegtermijn De werknemer die een vergoeding wegens onregelmatige beëindiging van de arbeids­overeen­komst ontvangt, wordt beschouwd als zelfstandige in bijberoep indien hij een zelfstandige activiteit uitoefent tijdens de periode die met de niet-nageleefde opzeggings­termijn overeenstemt. *  Tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid na een arbeidson­geval Een werknemer die recht heeft op een uitkering als slachtoffer van een arbeids­onge­val, van een ongeval op de weg van of naar het werk of van een beroepsziekte met een arbeidsongeschiktheid van tenminste 66 % tot gevolg, wordt beschouwd als zelfstandige in bijberoep indien hij nog een zelfstan­dige activiteit uitoefent. Deze mogelijkheid is eerder theoretisch, aangezien het uitoefe­nen van een zelfstandige activiteit in tegenspraak is met de ongeschikt­heid. Dit neemt echter niet weg dat de mogelijkheid bestaat, maar men moet steeds de arbeidsongeval­lenverzekeraar of het Fonds voor Beroepsziek­ten hiervan op de hoogte brengen. Vrijstellingsgrens sociale bijdragen 

Zelfstandigen in bijberoep mogen een beroepsinkomen verwerven van € 1 103,73  zonder dat ze sociale bijdragen moeten betalen.

    E  De gelijkgestelden met een bijberoep (art 37)Wanneer iemand met een zelfstandige activiteit start, zonder daarbij een halftijdse loon- of weddetrekkende activiteit uit te oefenen, dan wordt deze in principe ingedeeld in de categorie hoofdberoep.

Een zeer belangrijke uitzondering op dit principe is in de wet voorzien voor:

  • gehuwden (waarvan de echtgenote rechten opent op pensioen, kinderbijslag en ziekteverzekering);
  • weduwen/weduwnaars;
  • studenten tot op het moment dat ze 25 jaar worden.

Deze personen kunnen op hun verzoek gelijkgesteld worden met de categorie van de zelfstandigen in bijberoep.  Ook voor hen geldt de regel dat ze vrijgesteld worden van sociale bijdragen indien hun beroepsinkomen lager zou zijn dan € 1 103,74 per jaar.  Zij betalen dan net zoals de zelfstandigen in bijberoep verminderde bijdragen tot een inkomen van € 5 226,12 per jaar. Is hun inkomen hoger, dan betalen ze dezelfde bijdragen als zelfstandigen in hoofdberoep.

Het gevolg van deze lagere bijdragen is dan ook dat er geen recht op enige uitkeringen ontstaat.
Hst 2.  De schijnzelfstandige 

A.     Waarom veinst men dat een loontrekkende eigenlijk een zelfstandige is

 

1.      Omwille  van de sociale bijdragen

 

Loontrekkenden:

*  +/- 40 % werkgeversbijdragen (inbegrip van arbeidsongevallenverzekering) en * 13,07 % werknemersbijdragen.

 

      + Berekening op onbegrensd brutoloon

 

Zelfstandigen :

* 16,7 % op een gebruteerd en geherwaardeerd inkomen van 3 jaar terug.

* 12,27 % boven een inkomen van € 49 993,26

            * Geen bijdragen boven een inkomen van € 73 127,22

 

Berekening op het netto-belastbaar inkomen

  

2) Omwille van de beschermende reglementering eigen aan de individuele arbeidsovereenkomst

          De vastheid van betrekking : Opzeggingstermijnen vastgelegd in de wet van 3.7.78 met een minimumduur van 3 maanden per schijf van 5 jaren dienst, maar die in onderling overleg of door de rechtbank vastgesteld zullen worden voor de bedienden met een hogere bruto-wedde dan € 50 554.

   Bovendien worden deze opzeggingstermijnen nog eens verlengd met de duur van arbeidsonderbrekingen (ongeschiktheid of verlof).

 

Het gewaarborgd loon tijdens afwezigheidsdagen (ziekte, kortverzuim, feestdagen…)

 

De aansprakelijkheid (art. 18 wet 3.7.78) van de werkgever voor de schade die zijn werknemers tegenover derden berokkenen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, tenzij deze het gevolg zijn van bedrog of zware schuld.

     

De arbeidsvoorwaarden.  De hele verzameling van wetten, besluiten en reglementen die de organisatie van de arbeid als voorwerp hebben, en waarvoor de overtreder zwaar kan gestraft worden :

Toegelaten arbeidsduur en inhaalrust

Deeltijdse arbeidsroosters

Verbod op zondagswerk of nachtarbeid

Veiligheidsvoorschriften….

  
   3) Omwille van fiscale redenen 

Grotere aftrekmogelijkheden van beroepskosten bij de belastingaangifte van een zelfstandig inkomen (bureelkosten, gedeelte woonhuis, computer…) 

Grotere mogelijkheid om niet alle prestaties te factureren

 

   B.     Risico’s 

Binnen de perken van de verjaringstermijn moet de werkgever de achterstallige werkgevers- en werknemersbijdragen RSZ betalen. Hij kan ze niet verhalen op de werknemer. Bovendien wordt een jaarlijkse bijdrageopslag van 10 procent van het onbetaalde bedrag toegepast. Er is eveneens een verwijlintrest van 7 procent per jaar verschuldigd wanneer de betalingen niet binnen de voorgeschreven termijnen worden verricht.

 

Daarbij komt nog dat de strenge arbeidsreglementering met terugwerkende kracht herleeft. Men moet rekening houden met de voorschriften in verband met deeltijdse arbeidsroosters, verbod op zondagswerk en nachtarbeid, arbeidsduur en inhaalrust. In het geval de zelfstandige meer uren presteerde dan hij als werknemer mocht, moet de werkgever een overloontoeslag betalen en inhaalrust toekennen.

 

Aangezien de prestaties geacht worden te zijn geleverd in het kader van een arbeidsovereenkomst, moet de vergoeding ervan minstens gelijk zijn aan de verplichte minimumbarema’s. Desnoods zal de werkgever de uitbetaalde vergoeding moeten optrekken.

Bovendien is er mogelijk een 13° maand verschuldigd, en moet er dubbel vakantiegeld worden uitbetaald. Er zal onderzocht worden of er in geval van arbeidsongeschiktheid wel degelijk gewaarborgd loon werd betaald.

 

De premie van de arbeidsongevallenverzekering wordt berekend op het loon.

De verzekeraar zou dus een bijpassing kunnen vragen. Werd de werknemer bovendien slachtoffer van een arbeidsongeval tijdens de uitvoering van de prestaties, dan kan de arbeidsongevallenverzekeraar weigeren om tussen beide te komen. Het slachtoffer wordt dan vergoed door het Fonds voor Arbeidsongevallen, met verhaal op de in gebreke zijnde werkgever.

 

Ook de niet afgehouden belastingen op die lonen moet de werkgever nog ophoesten. Reken op dat alles nog nalatigheidsintresten en procedurekosten, en de rekening loopt snel heel erg hoog op. Voorzichtigheid is dus de boodschap.

  
   C.     Check-list om problemen te voorkomen 

Rekening houdend met de rechtspraak en rechtsleer betreffende het probleem van de schijnzelfstandigheid hebben we een aantal richtlijnen opgesteld die kunnen helpen om problemen te vermijden.

  

1.   Sluit met een bediende een arbeidsovereenkomst, met een zelfstandige een aannemingsovereenkomst.

 2.   Hanteer voor een zelfstandige geen uurrooster. 3.   Betaal een zelfstandige met een commissieloon in functie van het resultaat of het geleverde werk, en vermijd uur- of maandlonen. 4.   Betaal aan een zelfstandige nooit forfaitaire onkosten. 5.   Laat een zelfstandige steeds zijn prestaties factureren. 6.   Vermijdt het geven van onderrichtingen en verplichtingen, en zet ze niet in een overeenkomst of in een brief. 7.   Betrek de zelfstandige bij het beheer van het werk. 8.   Hou er rekening mee dat de zelfstandige best meer dan één opdrachtgever heeft. 9.   Indien mogelijk zet in de overeenkomst dat het de zelfstandige vrijstaat zelf personeel aan te werven of zich te laten vervangen. 10. Wees voorzichtig…
  Hst 3. Samenwerken met een loontrekkende A. Administratieve verplichte aansluitingen 

1. Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ)

Iedere in België gevestigde die voor de eerste maal werknemers gebonden door een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, moet zich bij de RSZ laten inschrijving.

In de loop van elk kwartaal zendt de RSZ aan iedere ingeschreven werkgever (of aan diens Sociaal Secretariaat) een aangifteformulier. De werkgever is er toe gehouden ieder kwartaal aan de RSZ zowel de patronale- als de werknemersbijdragen  te betalen. Deze bijdragen moeten ten laatste de laatste dag van de maand volgend op het betrokken trimester bij de RSZ toekomen. In geval van laattijdige betaling zijn verwijlintresten en verhogingen voorzien.

In- en uitdiensttredingen moeten onmiddellijk via een elektronische aangifte (DIMONA) aan de RSZ meegedeeld worden.2. Aansluiten bij een vakantiekas (enkel voor arbeiders)
Elke werkgever die arbeiders of arbeiders-leerjongens in dienst heeft, moet zich verplicht aansluiten bij de kas voor jaarlijkse vakantie bevoegd voor de bedrijfstak waarin men actief is.  Als er geen specifieke kas voor de sector bestaat, moet men zich bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie aansluiten.

De vakantiekas betaalt elk jaar het vakantiegeld voor arbeiders. De financiering ervan gebeurt door RSZ bijdragen. Het vakantiegeld voor bedienden wordt rechtstreeks door de werkgever betaald.       3. Aansluiten bij een kinderbijslagfondsBij de aanwerving van het eerste personeelslid moet de werkgever bij een kinderbijslagfonds aansluiten. Deze aansluiting is verplicht, zelfs als geen enkele van de werknemers de voorwaarden om kinderbijslag te krijgen, vervult. Voor een leerjongen, een huisbediende of een niet-onderworpen student geldt deze verplichting niet.

Men beschikt over een termijn van 90 dagen om een vrij kinderbijslagfonds te kiezen, zoniet  wordt men ambtshalve aangesloten bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) aangesloten.

In principe is de keuze van de kas vrij. Maar bepaalde sectoren (vb. horeca) moeten kiezen voor RKW.  4. Een arbeidsongevallenverzekering afsluiten Iedere werkgever moet onmiddellijk een verzekeringspolis tegen arbeidsongevallen bij een erkende verzekeringsmaatschappij  onderschrijven.

Deze verzekering dekt de lichamelijke schade die voorvloeit uit de ongevallen overkomen aan werknemers in het kader van arbeidsongeval of een ongeval op de weg van en naar het werk.

Het te betalen premiebedrag is afhankelijk van het risico en wordt berekend op de bruto loon van de personeelsleden.        5. Aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming 

Deze aansluiting is verplicht voor alle werkgevers tenzij zij enkel  dienstboden in dienst hebben. Deze diensten hebben tot taak:

    • Het organiseren van het verplicht medisch onderzoek, het preventief onderzoek en het  opsporen van beroepsziekten
    • De risico's verbonden aan de verschillende werkposten te identificeren en te evalueren (veiligheid, gezondheid, ergonomie, industriële hygiëne, psychosociale aspecten).

 6. Aansluiten bij een belastingskantoor

De werkgever moet naast de inhouding voor de RSZ ook nog het loon van de werknemer verminderen met de bedrijfsvoorheffing en dit in functie van de gezinssamenstelling en het loonbedrag.

Deze inhouding moet binnen de 15 dagen gestort worden aan het inningskantoor van de directe belastingen. Er dienen per maand en per jaar aangifteformulieren ingediend.

 
B. Interessante tewerkstellingsvormen 1.      RSZ vermindering voor de eerste (tweede en derde)  werknemer 

De sociale bijdrage wordt verminderd bij de aanwerving van een 1°, 2° en 3° werknemer die aangeworven wordt.

Het moet wel gaan om een werkloze:

            Tussen 18 en 25 jaar of ouder dan 40 jaar: reeds 12 maanden werkloos zijn.

            Anderen: 18 maanden.

 De vermindering loopt over een periode van 13 opeenvolgende kwartalen, t.t.z. het kwartaal van indiensttreding en de 12 kwartalen die daarop volgen. De vermindering bestaat uit een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de volgende sectoren:

– de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
– de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector geneeskundige verzorging en sector uitkeringen);
– de werkloosheid;
– de kinderbijslagen;
– de beroepsziekten;
– de arbeidsongevallen;
– de loonmatigingsbijdrage. 

De totale RSZ bijdrage voor deze sectoren is gelijk aan  32,35 %


Blijven wel verschuldigd, de werkgeversbijdragen voor:
– de regeling van de jaarlijkse vakantie van de handarbeiders; – het educatief verlof; – het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen;

   (indien verschuldigd) de bijdrage voor de  fondsen voor  bestaanszekerheid.

De totale RSZ bijdrage voor deze sectoren is gelijk aan 6,72 %

Deze RSZ vermindering van de werkgeversbijdragen wordt als volgt toegepast:

 

1° werknemer

2° werknemer

3° werknemer

Kwartaal van aanwerving + 4 volgende kwartalen

     – 100%

 

    – 75 %

    – 50 %

Van het 5° tot en met het 8° kwartaal

       75 %

    – 50 %

    – 25 %

Van het 9° tot en met het 12° kwartaal

       50 %

    – 25 %

       

 

2. Tussenkomst in kosten Sociaal Secretariaat

 Wanneer de nieuwe werkgever zich aansluit bij een erkend sociaal secretariaat, komt de RSZ tussen in de administratiekosten die voor de eerste werknemer aan dit secretariaat verschuldigd zijn. Deze tussenkomst bedraagt 12,15 EUR voor elke kalendermaand van de periode waarvoor de werkgever de bijdragevermindering geniet. De RSZ stort het bedrag rechtstreeks bij het betrokken secretariaat. De tussenkomst gebeurt eveneens voor de tweede werknemer aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en die voldoet aan de voorwaarden om RSZ vermindering te genieten. In dit geval geldt de tussenkomst voor een periode van negen kwartalen (het kwartaal van aanwerving en de acht die erop volgen).    3.  Jongeren: Tewerkstelling – Opleiding    De overeenkomst werk-opleiding bestaat uit het afsluiten van twee overeenkomsten met  jonge werkzoekenden tussen 18 jaar en 25 jaar, die geen hogere studies hebben gevolgd. Het betreft enerzijds een arbeidsovereenkomst en anderzijds een overeenkomst werk-opleiding. Hierdoor krijgen jongeren de mogelijkheid om, tijdens een gedeelte van hun tewerkstelling, een opleiding te volgen die rechtstreeks verband houdt met de functie die zij uitoefenen in het kader van de arbeidsovereenkomst. De duur van de opleiding moet ten minste één jaar bedragen en ten hoogste drie jaar. Zij duurt ten minste 240 uren per jaar.Aan de werkgever wordt een RSZ vermindering toegekend. Dit betekent dat er geen sociale bijdragen moeten betaald worden voor volgende sectoren:

– de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
– de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector uitkeringen en sector geneeskundige verzorging);
– de werkloosheid;
– de kinderbijslagen;
– de beroepsziekten;
– de arbeidsongevallen;
– de loonmatigingsbijdrage.

De totale RSZ bijdrage voor deze sectoren is gelijk aan  32,35 %. Er blijft nog 6,72 % ten laste van de werkgever.

 

De vermindering geldt slechts tijdens de duur van de overeenkomst werk-opleiding

    
 Hst 4. Werken met leerjongens/-meisjes 

De erkende leerovereenkomst Middenstand  is een overeenkomst voor bepaalde duur die wordt aangegaan tussen een ondernemingshoofd en een leerling. (Indien deze leerling een kind is van het ondernemingshoofd, spreken we overeen gecontroleerde leerovereenkomst)

Het ondernemingshoofd verbindt zich ertoe aan de leerling een algemene en technische praktijkopleiding te geven, die moet leiden tot een zelfstandig functioneren in een beroep of ambacht.
De beroepservaring wordt aangevuld met theoretische vorming van 1 lesdag per week in een VIZO-centrum.

De leersecretaris

De leerovereenkomst moet worden opgemaakt aan de hand van een modelcontract dat kan bekomen worden bij een leersecretaris die bemiddelend optreedt en als begeleider fungeert tijdens de loop van de leertijd.
 
Duur van de leerovereenkomst

De maximumduur van de leertijd is 3 schooljaren. Rekening houdende met de leeftijd en de vooropleiding kan de periode korter zijn. In principe kan de duurtijd niet minder zijn dan 1 jaar.

De leervergoeding

De opleiding is bijna helemaal gericht op de praktijk.
De leerling ontvangt geen loon, wel een vergoeding voor wat hij presteert terwijl hij het beroep aanleert.
De leervergoeding bedraagt in 2002 minimaal:

  – 18 jaar + 18 jaar
eerste jaar leertijd 247,42 Euro  329,90 Euro
tweede jaar leertijd 329,90 Euro 371,15 Euro
derde jaar leertijd 409,02 Euro    409,02 Euro

 

In een aantal sectoren (bv. NPC 109 Kleding , NPC 126 Stoffering en houtbewerking, NPC 130 Drukkerijen…) zijn hogere vergoedingen vastgelegd.

 

A. Voorwaarden leerling

De leerling dient ten volle 15 jaar te zijn en voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht.
Hij dient ten minste de eerste twee jaren van het secundair onderwijs beëindigd te hebben.
 
Er is geen maximumleeftijd voorzien. Ook oudere personen kunnen nog starten met een leerovereenkomst.

B. Voorwaarden ondernemingshoofd

Het ondernemingshoofd dat een leerling wil opleiden, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • 25 jaar geworden zijn, of in elk geval 23 jaar zijn op voorwaarde dat het ondernemingshoofd een diploma ondernemersopleiding bezit.
  • Ten minste 5 jaar beroepspraktijk hebben, waarvan twee jaar als zelfstandige in hoofd- of bijberoep.
  • In orde zijn met zijn handelsregister en vestigingswet.
  • Voldoende uitgerust zijn om de leerling het beroep te kunnen aanleren.

 Gedurende het eerste jaar mag slechts één leerling tegelijk opgeleid worden.

C. Sociaal rechtelijk statuut 

Voor wat het arbeidsrecht betreft wordt de leerling gelijkgesteld met een werknemer.  De arbeidswet (arbeidsduur, nachtarbeid…), de wetgeving op de betaalde feestdagen, de arbeidsongevallen… zijn dus ook van toepassing.

Het ondernemingshoofd betaalt slechts een beperkte RSZ bijdrage op de vergoeding. Het betreft enkel de RSZ bijdrage voor het vakantiegeld en de arbeidsongevallen en beroepsziekten.

De leerling zelf betaalt geen RSZ bijdragen.

 

De leerling wordt voor wat zijn recht op kinderbijslagen gelijkgesteld met een student.

Hij blijft voor wat de ziekteverzekering (sector gezondheidszorgen) betreft, aanzien als persoon ten laste.

 

Bekijk ook deze artikels uit de categorie Sociale Wetgeving Tip.

2007-09-02T12:17:10+00:00

Gratis Ebook: Bulgarije, ster in Europa

In een handomdraai krijgt u een overzicht van de mogelijkheden in Bulgarije en de belangrijkste componenten voor ondernemers:
  • 10% personenbelasting
  • 10% vennootschapsbelasting
  • 10%, de loonkost bedraagt slechts 10% van een gemiddeld Belgisch/Nederlands loon
DOWNLOAD NU

De 112 Meest Begeerde Fiscale Tips - Editie 2017


Voor al wie belastingontwijking een mensenrecht vindt, 112 haalbare en praktische fiscale tips 
GRATIS INKIJKEXEMPLAAR
Click Me