//Over de bewijslast van de handgifte

Over de bewijslast van de handgifte

Een belastingplichtige overlijdt in 1996. Na het overlijden van zijn tweede echtgenote had hij een relatie met een vrouw, die zelf een dochter had.    

Bij gebrek aan een testament kwam de nalatenschap van de decujus toe aan zijn twee kinderen, ieder voor de helft in volle eigendom. Er werd tijdig een aangifte van nalatenschap ingediend, waarin ook een uiteenzetting werd gegeven over de wederbelegging van sommen voortkomende uit verkopen van  bepaalde onroerende goederen binnen de drie jaar voor zijn overlijden (art.108 W.Succ.). 

Hieruit bleek ondermeer dat de decujus zeven maanden voor zijn overlijden heeft ingetekend op de aankoop had ingeschreven op euro-obligaties voor een bedrag van ruim 50.000 euro. Deze effecten werden evenwel aangekocht op naam van de kleinzoon van zijn toenmalige levenspartner. 

Uit deze vaststelling leidde de ontvanger van de successierechten af dat er een handgift heeft plaatsgevonden ten voordele, van zijn kleinzoon. Derhalve dient toepassing gemaakt te worden van  artikel 7 van het Wetboek van Successierechten. De betwisting handelt over de successierechten die de ontvanger wenst in te vorderen ten naam van de kleinzoon (op de handgift, die – op grond van de aansprakelijkheid voor de rechten en interesten van de bijzondere legataris ook in beperkte mate werden ingevorderd bij de wettelijke erfgenamen (artikel 70W . Succ.).   De twee wettelijke erfgenamen tekende verzet aan tegen het dwangbevel. In ondergeschikte orde eisen zij dat de kleinzoon hen zou vrijwaren bij een eventuele veroordeling. 

Ook de kleinzoon vocht de heffing aan  In een vonnis van 31 maart 2003 wees de rechtbank van eerste aanleg te Brugge het verzet van de kleinzoon af. Hij werd tevens veroordeeld  om de wettelijke erfgenamen te vrijwaren voor de bedragen waarvoor zij op grond van artikel 70 W. Succ. mee gehouden zijn. 

De kleinzoon tekende hoger beroep aan. Hij argumenteerde nooit roerende waarde te hebben ontvangen van de decujus, zodat er geen sprake kan zijn van enige schenking en dus evenmin van de toepassing van artikel 7 van het Wetboek van Successierechten. In ondergeschikte orde vordert hij de aangifte van nalatenschap vals te laten verklaren overeenkomstig artikel 895 en 906 van het Gerechtelijk wetboek. Ook de vrijwaringsplicht wordt in vraag gesteld in zoverre zij in eigen naam (als voogd) wordt aangesproken. 

De Belgische Stat daarentegen is van oordeel dat de kleinzoon geboden is door de aangifte van nalatenschap, en maakt die aangifte een definitieve heffingstitel uit.  Tevens voorziet artikel 70 W. Succ. in de mogelijkheid om zowel de rechtsopvolgers ten algemene titel als de rechtsopvolgers onder bijzondere titel  gelijktijdig te vervolgen. 

Wat het bewijs en de het bestaan van de schenking betreft gedraagt de ontvanger  zich naar de wijsheid.  Ook de wettelijke erfgenamen betwisten dat de aangifte in de nalatenschap een definitief karakter heeft . Het Hof analyseert artikel 7 W. Succ. Dit artikel stelt als regel dat goederen die door de erflater worden geschonken binnen de drie jaar voor het overlijden, en waarvoor geen schenkingsrechten werden geheven tot de nalatenschap van de decujus behoren. Wanneer evenwel  de erfgenamen of de  algemene legataris kan aantonen aan wie de bevoordeliging is gebeurd, dan is deze persoon gehouden de daarop verschuldigde successierechten te vereffenen. 

Indien in dergelijke gevallen de registratierechten op de schenking  betaald zijn, kunnen zij niet langer onderworpen zijn aan de successierechten.  Het Hof benadrukt dat wanneer de  administratie zich steunt op artikel 7, tweede lid W.Succ. zij ook het bewijs moet leveren dat de kleinzoon  de begunstigde was van de handgift. De administratie stelt dat er sprake is van een bijzonder legaat ten bedrage van 2.200.000 bef. 

De kleinzoon betwist dat hij de begunstigde was van de handgift. De werkelijke begunstigde was de levenspartner van de decujus ten tijde van zijn overlijden.  Uit de in  het kader van de strafonderzoek afgelegde verklaring ontkende de voormalige levenspartner dat de aandelen slechts op naam van haar kleinzoon (die toen maar  drie jaar oud was) werden geplaatst omdat zij zelf nog niet gescheiden was en de decujus absoluut wou voorkomen dat de effecten in handen van haar toenmalige echtgenoot, waarvan zij aan het scheiden was, zouden komen bij haar vooroverlijden. Zij sprak trouwens zelf van een schenking in haar verklaring. 

Op het tijdstip van de handgift was de kleinzoon trouwens niet aanwezig. De toenmalige levenspartner tekende met de naam van het kleinkind.  De stukken uit het strafdossier werpen aldus het hof een totaal andere licht op de zaak. De aangifte van nalatenschap is weliswaar definitief wanneer de termijn van indiening verstrijkt, doch zulks belet geenszins dat de erin opgenomen verklaringen aanleiding kunnen geven tot burgerrechtelijke gevolgen Uit de omstandigheid dat de naam van de minderjarige kleinzoon werd misbruikt kan men bezwaarlijk een begiftigingsinzicht in hoofde van de decujus  afleiden. 

De effecten zijn volledig in het bezit gebleven van  zijn toenmalige levenspartner, die ze nadien blijkbaar ook had verzilverd.  Het hof komt dan ook tot het besluit dat noch de administratie noch de wettelijke erfgenamen het bewijs leveren dat de voorwaarden van artikel 7, tweede lid W.Succc. zijn vervuld. Derhalve dient het dwangbevel te worden vernietigd in e mate dat enige frank wordt gevorderd van de kleinzoon of zijn voogd.

2008-03-04T22:10:26+00:00
Dinsdag 19 december  2017 - 11:00u

Gratis Seminar: Bulgarije, Ster in Europa

In een handomdraai krijgt u een overzicht van de mogelijkheden in Bulgarije en de belangrijkste componenten voor ondernemers:
  • 10% personenbelasting
  • 10% vennootschapsbelasting
  • 10%, de loonkost bedraagt slechts 10% van een gemiddeld Belgisch/Nederlands loon
JA, IK WIL ME INSCHRIJVEN

De 112 Meest Begeerde Fiscale Tips - Editie 2017


Voor al wie belastingontwijking een mensenrecht vindt, 112 haalbare en praktische fiscale tips 
GRATIS INKIJKEXEMPLAAR
Click Me