Liquidatie! Wees er snel bij!

We hebben er reeds vroeger over geschreven. Maar om het overzicht te behouden, vatten we enkele principes hierbij voor u samen.

Samengevat, moet men het kapitaal van de vennootschap verhogen met het bedrag van de netto belaste reserves zoals deze uiterlijk op 31 maart 2013 goedgekeurd werden door de algemene vergadering.  De timing moet echter goed in de gaten gehouden worden.  Deze transactie kost nu 10% roerende voorheffing.  De latere kapitaalsverlaging zal dan belastingvrij plaats vinden, als men maar tijd van wachten heeft :

Tarief             KMO                                                              Grote onderneming (GO)

15%                Tijdens jaar 1 en jaar 2 na de incorporatie    Tijdens jaar 1 t.e.m. jaar 4 na de incorporatie

10%                Tijdens jaar 3 na de incorporatie                   Tijdens jaar 5 en 6 na de incorporatie

5%                  Tijdens jaar 4 na de incorporatie                   Tijdens jaar 7 en 8 na de incorporatie

Het probleem hierbij is dat veel vennootschappen dus niet veel tijd meer hebben.  De overgangsmaatregel die in werking is getreden op 1 juli 2013 is immers van toepassing op de inbreng die tot stand is gekomen in het boekjaar dat afgesloten wordt vóór 1 oktober 2014.  Dat betekent ook hier dat voor het merendeel van de vennootschappen (omdat deze per kalenderjaar een boekhouding voeren) de inbreng dient te gebeuren in de tweede jaarhelft van 2013 (1 juli 2013 – 31 december 2013). En daar was voor velen een probleem. Kortom de inbreng dient/diende veelal te gebeuren ten laatste op 31 december 2013 (voor boekjaren die samenvallen met het kalenderjaar).  Maar ondertussen is daar wat gewijzigd.  Voortaan aanvaardt de Administratie dat de administratieve verwerking van de inbreng uiterlijk op 31 maart 2014 plaatsvindt.  Let wel het dividend dient te worden toegekend ten laatste op 31 december 2013.

De versoepeling komt neer op het volgende. 

De versoepeling van timing geldt enkel voor de akte van kapitaalverhoging en dan nog enkel voor die vennootschappen die hun boekjaar afsluiten in de periode tussen 1 oktober 2013 en 30 maart 2014.

Maar let op ook nu weer zijn er een aantal voorwaarden te vervullen:

  1. de toekenning (of betaalbaarstelling) van het dividend dient nog steeds uiterlijk op 31 december 2013 te worden verricht voor die vennootschappen die hun boekhouding per kalenderjaar voeren.

Sluit het boekjaar echter af tussen 1 januari 2014 en 30 maart 2014, dan dient het dividend toegekend te worden uiterlijk op de laatste dag van het boekjaar.  De roerende voorheffing zal overwegend dan ook nog steeds in 2013 opeisbaar worden en het storten van de 10% roerende voorheffing zal dan ook nog uiterlijk tegen 15 januari 2014 dienen uitgevoerd te worden.

  1. uiterlijk op dezelfde datum van toekenning van het dividend, dienen de vennootschap en haar aandeelhouder(s) zich wederzijds te verbinden, de ene om de kapitaalsverhoging door te voeren en de andere(n) om minstens het verkregen dividendbedrag in het kapitaal in te brengen. Deze wederzijdse verplichtingen kunnen worden geleverd aan de hand van een geheel van gewichtige en overeenstemmende feiten, zoals inzonderheid, een schriftelijke verklaring door de partijen, de storting van de in te brengen gelden op een bijzondere rekening conform het Wetboek vennootschappen, het revisoraal verslag met betrekking tot de inbreng in natura, …
    1. de kapitaalverhoging en de inbreng dienen wel geformaliseerd te worden (via notariële akte) en dit  uiterlijk op 31 maart 2014. Opgelet, wordt deze termijn niet gerespecteerd dan zal de verlaagde aanslagvoet van de roerende voorheffing  van 10% niet kunnen worden toegepast zodat de vennootschap een aanvullende roerende voorheffing van 15% zal verschuldigd zijn (verschil tussen de gewone aanslagvoet van 25% en de verlaagde aanslagvoet van 10%) op het uitgekeerde dividend, verhoogd met nalatigheidsinteresten

Maar biedt deze mogelijkheid nog een bijkomend voordeel wat onroerend goed betreft?

Dit is inderdaad voor velen een optie.

Hierbij denken we aan een bvba waar vroeger een onroerend goed werd in ondergebracht of aangekocht.  Velen denken er immers aan om dit onroerend goed aan de vennootschap te onttrekken om uiteenlopende redenen zoals de meerwaarde (en dus vennootschapsbelasting hierop wanneer het later aan de vennootschap wordt onttrokken), het veelal aanzienlijk voordeel van alle aard, …

De mogelijkheid die nu geboden wordt, kan aan één van de taxaties mogelijk iets ‘doen’.

Wanneer een onroerend goed de vennootschap ‘verlaat’ dan moeten we rekening houden met drie taxaties :

–       de vennootschapsbelasting op de meerwaarde

–       de roerende voorheffing (wanneer de gelden aan de vennootschap onttrokken worden)

–       de registratierechten (10% voor Vlaanderen)

Het is de laatste taxatie die (mogelijk of veelal) kan vermeden worden.

O.a. de bvba heeft hier een voordeel in kostprijs wat de registratierechten betreft wanneer het onroerend goed later aan de vennootschap moet onttrokken worden.  Dit n.a.v. een liquidatie van de vennootschap of een kapitaalsvermindering in natura.  En het is dit laatste dat hier onder de loep wordt genomen.

Het principe is dat bij de onttrekking van een onroerend goed voor Vlaanderen 10% registratierechten moeten betaald worden.

Maar hierop bestaan een aantal uitzonderingen.

Art. 129 W.Reg is hierbij van belang :

Het verkrijgen, anderszins dan bij inbreng in vennootschap, door één of meer vennoten, van in België gelegen onroerende goederen, voortkomende van een vennootschap onder firma of van een gewone commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van een landbouwvennootschap geeft, welke ook de wijze zij waarop het geschiedt, aanleiding tot het heffen van het voor verkopingen gesteld recht.

In geval van afgifte van de maatschappelijke goederen door de vereffenaar van de in vereffening gestelde vennootschap aan al de vennoten, is voorgaand lid van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan één of meer vennoten.

Lid 1 is niet toepasselijk zo het gaat om:

1° onroerende goederen welke in de vennootschap werden ingebracht, wanneer zij verkregen worden door de persoon die de inbreng gedaan heeft;

2° onroerende goederen welke door de vennootschap met betaling van het voor de verkopingen bepaald registratierecht verkregen werden, wanneer het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.

Wanneer later (zie timing boven) de kapitaalsvermindering plaats vindt, dan kan dit in geld gebeuren maar dit hoeft hiertoe niet beperkt te blijven.  Het kan immers ook in natura, bv een onroerend goed.

Dit betekent dat onder de voorwaarden van art.129 W.Reg er geen 10% registratierechten moeten betaald worden.  In eerste instantie zal dit het algemeen vast recht zijn van 50 EUR.  Ofwel houdt het hiermee op (bv ebvba (Besl 8 juli 2002, nr EE/98.710)) ofwel zal er nog 2,5% registratierechten moeten betaald worden wanneer de vennoten later uit onverdeeldheid treden.

Voorwaarden :

Enkel de V.O.F., de comm.V., de bvba en de landbouwvennootschap komen in aanmerking.

In drie gevallen zal er geen 10% registratierechten moeten betaald worden :

–       de verkrijging door alle vennoten samen

–       de verkrijging door de vennoot die het onroerend goed heeft ingebracht

–       de verkrijging door de vennoot van door de vennootschap tegen betaling van 10% verworven onroerend goed

Tip: In een successieplanning is hierbij wel het volgende nog van belang.  Stel dat ouders een onroerend goed hebben ingebracht in een bvba.  M.a.w. aan alle voorwaarden van art. 129 W.Reg  werd voldaan, mochten zij vandaag het onroerend goed willen onttrekken aan de vennootschap (bijv. liquidatie) om geen 10% te moeten betalen.

Zij wensen echter een successieplanning te organiseren en opteren om de totaliteit van de aandelen van de bvba te schenken via een notariële schenkingsakte.

Is dit interessant ?

Wat de successierechten betreft, kan dit het geval zijn.  Maar er bestaat misschien nog een extra voordeel.

De twee uitzonderingen van art. 129 derde lid W.Reg zijn echter ook van toepassing voor de erfgenamen of legatarissen van de erflater die ze heeft ingebracht of die vennoot was toen het onroerend goed door de vennootschap werd aangekocht (Aanschr. van 24 december 1958, nr. 36; Besl. 17 mei 1960, nr. E.E./76.113.; Besl. 11 februari 1976, nr. E.E./84.237).

In het kader hiervan is het een suggestie waard dat niet alle aandelen worden geschonken doch dat er enkele worden vererfd.  Het voordeel van de uitzondering van art. 129 W.Reg gaat dan over naar de erfgenamen (WERDEFROY, F., Registratierechten 2004-2005, Kluwer, nr. 1095).

Kortom wanneer u vandaag kiest om in te stappen in de zogenaamde overgangsregeling (art 537 WIB 1992) dan biedt het een mogelijkheid om later het onroerend goed aan de vennootschap te onttrekken aan 50 euro i.p.v. 10% / 12,5%.  Dit is een niet onaardig verschil.

Weliswaar dienen alle voorwaarden voldaan te zijn, maar dit is in de praktijk vaak geen probleem.

Maar wat te doen wanneer u een nv bezit en geen (o.a.) bvba ?

Vroeger was het immers ‘klassiek’ om te werken met een nv voor wie aan een zogenaamde ‘patrimoniumvennootschap’ dacht.  Dit omwille van het ‘voordeel’ van de effecten aan toonder.

De laatste jaren was dit veelal geen reden meer om te kiezen voor een nv.  De effecten aan toonder zijn immers quasi uitgestorven.  Reeds enkele jaren geleden werden deze afgeschaft en voor de bestaande vennootschappen werd er in een overgangsperiode voorzien die dit jaar immers afloopt.  Trouwens eind 2011 werd de zogenaamde ‘toondertaks’ ingevoerd wat velen ertoe heeft aangezet sneller de effecten aan toonder hetzij te dematerialiseren hetzij op naam te zetten.  Sommige hebben de gelegenheid genomen om de vennootschap van statuut te laten veranderen, maar niet iedereen heeft dit gedaan.

Kan een nv ook ‘genieten’ van de verminderde registratierechten wanneer het kapitaal wordt verminderd (in natura) ?

Het antwoord is ‘neen’.  De nv wordt immers niet mee opgenomen in de lijst van vennootschappen van art 129 W.Reg. Enkel de V.O.F., comm.V, landbouwvennootschap of bvba zijn vermeld.

Wat kost het dan wanneer we een onroerend goed aan de nv onttrekken (n.a.v. liquidatie of kapitaalvermindering in natura) ?

Hier zal eerst 10%/12,5% registratierechten verschuldigd zijn en nadien, wanneer de aandeelhouders uit onverdeeldheid treden, zal er alsnog 2,5% registratierechten dienen betaald te worden.

Kortom gevoelig duurder dan bij (o.a.) een bvba.

Maar hierbij kan ook de vraag gesteld worden of de omvorming van een bestaande nv in een bvba ook van deze voordelen van vrijstelling van het verkooprecht van 10% kan genieten ?

In de praktijk gebeurde dit blijkbaar.  Kan dat nog vandaag?  Niettegenstaande de administratieve beslissing (zie verder) moeten we toch voorzichtig zijn.  Ondertussen kennen we de antimisbruikbepaling.

Ook de anonimiteit van de effecten aan toonder kan hierbij een probleem vormen. De verkrijgende vennoot dient immers te bewijzen dat hij aandeelhouder was op het moment dat de nv het onroerend goed heeft aangekocht met betaling van het verkooprecht.

Zoals vermeld, heeft de Administratie een volgende beslissing genomen (Besl. 14 september 1972, nr. E.E./82.848).:

Wanneer een naamloze vennootschap werd omgevormd in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid onder het stelsel van de wet van 23 februari 1967 (gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, art. 165 tot 174), dient te worden aangenomen – daar de omvorming aldus geen verandering in de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap heeft gebracht – dat de in het derde lid van artikel 129 bepaalde uitzonderingen toepasselijk zijn op de onroerende goederen die in de vennootschap werden ingebracht of door haar werden verkregen vóór de omvorming, juist zoals op de onroerende goederen die werden ingebracht of verkregen na deze omvorming.”

Maar de antimisbruikbepaling (of simulatie) zou wel eens een probleem kunnen vormen.  Deze was immers in 1972 nog niet aan de orde.

Maar in het volgende geval lijkt ons er nog een mogelijkheid te zijn.  M.a.w. er dient een niet-fiscale reden te zijn waarom de nv omgevormd wordt naar een bvba.

En die is er, nl de vennootschapswetgeving legt de omvorming in sommige gevallen op en dit binnen een bepaald tijdsbestek …

Meer bepaald art 646 W.Venn is hierbij van belang :

§ 1. Het in één hand verenigd zijn van alle aandelen heeft niet tot gevolg dat de vennootschap van rechtswege of gerechtelijk wordt ontbonden.

Indien binnen een jaar geen nieuwe aandeelhouder in de vennootschap is opgenomen of deze niet geldig is omgezet in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of ontbonden, wordt de enige aandeelhouder geacht hoofdelijk borg te staan voor alle verbintenissen van de vennootschap, ontstaan na de vereniging van alle aandelen in zijn hand, tot een nieuwe aandeelhouder in de vennootschap wordt opgenomen of tot de bekendmaking van haar omzetting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van haar ontbinding.

§ 2. Het gegeven dat alle aandelen in één hand zijn verenigd, alsmede de identiteit van de enige aandeelhouder moeten worden vermeld in het dossier bedoeld in artikel 67, § 2.

De enige aandeelhouder oefent de aan de algemene vergadering toegekende bevoegdheden uit. Hij kan die bevoegdheden niet overdragen.

De beslissingen van de enige aandeelhouder die handelt in de plaats van de algemene vergadering, worden vermeld in een register dat op de zetel van de vennootschap wordt bijgehouden.

De tussen de enige aandeelhouder en de vennootschap gesloten overeenkomsten worden, tenzij het courante verrichtingen betreft die onder normale omstandigheden plaatsvinden, ingeschreven in een stuk dat tegelijk met de jaarrekening moet worden neergelegd.”

Kortom wanneer alle aandelen van de nv in één hand zijn (er is dus nog maar één aandeelhouder) dan zal er iets moeten gebeuren.  De vennootschap omvormen naar een bvba is hier dus een optie …

Het volgen van de vennootschapswetgeving is immers verplicht wil u niet met de nodige problemen geconfronteerd worden.  Het spreekt voor zich dat wanneer u nadien onmiddellijk de vennootschap liquideert dat er een probleem zal zijn, maar we hebben het hier over de overgangsregeling (dus geen liquidatie).

Kortom de nv omvormen kan ook hier een mogelijkheid bieden wanneer alle regels gerespecteerd worden (waaronder art 129 W.Reg).

Wat met de BTW ?

Art 129 W.Reg stelt :

Het verkrijgen, anderszins dan bij inbreng in vennootschap, door één of meer vennoten, van in België gelegen onroerende goederen, voortkomende van een vennootschap onder firma of van een gewone commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van een landbouwvennootschap geeft, welke ook de wijze zij waarop het geschiedt, aanleiding tot het heffen van het voor verkopingen gesteld recht.

In geval van afgifte van de maatschappelijke goederen door de vereffenaar van de in vereffening gestelde vennootschap aan al de vennoten, is voorgaand lid van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan één of meer vennoten.

Lid 1 is niet toepasselijk zo het gaat om:

1° onroerende goederen welke in de vennootschap werden ingebracht, wanneer zij verkregen worden door de persoon die de inbreng gedaan heeft;

2° onroerende goederen welke door de vennootschap met betaling van het voor de verkopingen bepaald registratierecht verkregen werden, wanneer het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.

Maar wat gebeurt er wanneer de registratierechten niet aan de orde waren ?

M.a.w. het onroerend goed werd verworven met BTW.

BTW zijn immers duidelijk geen registratierechten.

Is art 129 W.Reg dan wel van toepassing, meer bepaald de uitzonderingen op het tarief van 10%/12,5%?

Trouwens vandaag kennen we de reeds enkele jaren geleden gewijzigde wetgeving inzake nieuw vastgoed.

Sinds 1 januari 2011 is naar aanleiding van het Breitsohl-arrest van het Hof van Justitie (H.v.J., 8 juni 2000, C-400/98, Jur. HvJ 2000, I, 4321), een gelijktijdige aankoop van een onroerend goed met registratierechten op de grond en BTW op het gebouwd gedeelte immers niet meer mogelijk.  Kortom, bij een gelijktijdige aankoop van een nieuw gebouw met de grond maakt dat de aankoop van de grond sinds 1 januari 2011 onderworpen is aan de BTW.

Kortom, ofwel worden grond en gebouw verkocht met toepassing van de BTW ofwel worden grond en gebouw onderworpen aan de registratierechten.

Maar hoe zit het dan later met art 129 W.Reg ?  Kortom, wanneer de aankoop nu gebeurt met BTW (of gebeurde met BTW) kan dan later het onroerend goed onttrokken worden zonder dat 10% registratierechten dienen betaald te worden?  Of anders gezegd, is de uitzondering ook van toepassing wanneer de aankoop met BTW gebeurde ?

Het antwoord is ‘ja’.  Hier vermelden we de administratieve beslissing :

Nummer R 129/14-04

14. – Nieuw gebouw en bijhorende grond

04. – Wanneer een vennootschap een nieuw gebouw samen met de erbij horende grond heeft aangekocht met betaling van de btw op het geheel, voldoet de latere toebedeling van het onroerend goed (grond en gebouw) aan een vennoot, die bij de aankoop door de vennootschap deel uitmaakte van de vennootschap, aan de toepassingscriteria van artikel 129, derde lid, 2° W.Reg.

(Besl. 4 augustus 2011, nr. E.E./104.339)

———-

JANUARI 2012 – 711/4

Kortom goed nieuws …