In welke mate zijn kosten van een huwelijksfeest aftrekbaar ? De dochter van de zaakvoerder van een doktersvennootschap huwde in september 2001. Iets meer dan de helft van de kosten van de receptie en het avondfeest (ca. 2.150 euro) werden door de doktersvennootschap gedragen, en dus als beroepskosten in rekening gebracht. De taxatiediensten oordeelde dat deze kosten privékosten waren, en geen beroepskosten. Ook de gewestelijke directeur sloot zich aan bij de visie van de taxatiediensten. Uiteindelijk legde de vennootschap de zaak voor aan de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, die in haar vonnis van de 24 februari 2007 de administratie integraal volgde in haar redenering.

De doktersvennootschap tekende hoger beroep tegen dit afwijzend vonnis. Het Hof te Gent benadrukte dat een huwelijksfeest in essentie een privéaangelegenheid. Dit sluit echter geenszins uit dat op dergelijk feest zakenrelaties worden uitgenodigd met het doel de goede betrekkingen met hen te bestendigen, te onderhouden of tot stand te brengen. Dit komt duidelijk ten goede aan de vennootschap, zodat zij er belang bij kan hebben tussen te komen in de kosten.

Het hof benadrukt dat het onderhouden van goede zakenrelaties als noodzakelijk kan aangemerkt worden voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, en er bovendien in het licht van voorgaande kan gesteld worden dat de tussenkomst in de kosten gedaan en gedragen werden met het oog op het behouden en verwerven van inkomsten zoals opgelegd wordt door artikel 49 WIB 92. Dit is in casu des te meer het geval aangezien de dochter zelf werkzaam was bij de doktersvennootschap, en zij dezelfde naam draagt als vader, die tevens opgenomen is in de maatschappelijke benaming van de vennootschap.

De vennootschap dient wel het bewijs te leveren dat het wel degelijk gaat om kosten die gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te behouden of te verwerven. En daar stelde zich een probleem. De vennootschap had er zich toe beperkt een lijst voor te leggen van de zakenrelaties. Het hof acht het niet bewezen dat zij effectief aanwezig waren op het feest, en de uitgaven voor deze zakenrelaties effectief werden gemaakt. De voorgelegde lijst van vermeldde wel wie gekomen was, en met hoeveel personen. Toch werd hiermee geen rekening gehouden. Volgens het hof was het stuk opgesteld met het oog op de voorliggende betwisting, en had zij op zichzelf niet voldoende bewijskracht.

Er werd evenmin aangetoond dat de personen die op de lijst vermeld werden effectief zakenrelaties waren. De loutere vermelding van het beroep volstaat niet aangezien het geen uitsluitsel geeft omtrent de vraag of hij/zij een zakenrelatie was. Uit de voorliggende stukken kan volgens het hof niet in redelijkheid forfaitair bepaald worden hoeveel van de genodigden zakenrelaties waren of niet. Het hof wijst het hoger beroep af, en sluit zich dus aan bij het standpunt van de administratie. In dit arrest bevestigt het hof zeer uitdrukkelijk dat kosten van een in principe privefeest toch (gedeeltelijk) een beroepsmatig karakter kunnen hebben, wanneer aangetoond wordt dat zakenrelaties werden uitgenodigd. Het is dan wel noodzakelijk op onbetwistbare wijze het bewijs te leveren wie de zakenrelaties zijn, en dat zij effectief aanwezig waren. Eerder kwam ook het hof van beroep te Luik tot deze vaststelling, maar die aanvaardde zonder meer de op 25 % geraamde “beroepsmatige” kosten (Luik, 6 mei 1992, www.fiscalnetnl.be en Mons, 18 april 1997, www.fiscalnet.nl). Bron: Gent, 17 juni 2008

Met dank aan Mr G Poppe