Veel bedrijfsleiders blijven vragen stellen waarvoor het best is te kiezen.  We zetten enkele zaken op een rij.

Met een ‘interne onderhandse pensioenovereenkomst’ (of interne pensioenvoorziening genoemd) bedoelt men een pensioenovereenkomst die de vennootschap aangaat met haar bedrijfsleider zonder dat zij beroep doet op een externe verzekeraar.  Een externe individuele pensioentoezegging (IPT-verzekering) is een pensioenovereenkomst in het rechtstreekse voordeel van de bedrijfsleider waarbij wel beroep wordt gedaan op een verzekeraar.

Een interne pensioenvoorziening wordt dikwijls aanzien het fiscaal optimale.  Het betreft vennootschapswinsten wegboeken zonder dat er een geldtransfer mee gemoeid is.  Dit is echter anders bij een IPT-verzekering.  De premies die de vennootschap aan de verzekeraar betaalt gaan vanzelfsprekend wel gepaard met een geldelijke transactie.  De interne pensioenvoorziening daarentegen verloopt enkel via de boekhoudkundige post van de voorzieningen.  Interessant dus voor vennootschappen met veel winst maar die niet de cash bezitten.

Welke optie verdient de voorkeur : “intern” of “extern ?”.  Deze vraag kan niet zomaar beantwoord worden en hangt ook af van een aantal niet-fiscale factoren.  Hierbij sommen we enkele voor-en nadelen van beide systemen op.

Een voorziening heeft als gevolg dat wanneer uw vennootschap failliet gaat u als bedrijfsleider ook niets meer zal ontvangen.  Dit is niet het geval bij een IPT-verzekering waar u een vordering hebt op de verzekeraar. 

Bij de uitkering van een interne pensioenvoorziening zal u ook daadwerkelijk op pensioen moeten gaan.  Zoniet zal op basis van het zogenaamde fiscale attractiebeginsel, de uitkering als een bezoldiging belast worden.  Dus niet tegen het gunstig tarief van 16,5%, wat toch de bedoeling was.

Wanneer een verkoop van uw vennootschap vóór de uitkering van de pensioenvoorziening plaats vindt, dan betekent dit dat u moet kunnen vertrouwen op de koper om u uit te betalen . U hebt immers uw aandelen verkocht …

Een IPT-verzekering betekent wel, in tegenstelling tot de pensioenvoorziening, een te betalen taks van 4,4%.  Ook zijn er bij een IPT-verzekering bijkomende kosten verschuldigd (oa makelaarsloon).  Dit betekent wel dat de vennootschap voor de gehele administratie zelf zal moeten zorgen. 

Een IPT-verzekering kent een winstdeelname die niet belast wordt.aan de 16,5%.  Een interne pensioenvoorziening kent geen winstdeelname.  Niettegenstaande moet dit argument wel enigszins genuanceerd worden (cfr Lif & Benefits,nr 72, mei 2003, p. 3).

Een IPT-verzekering biedt ook de mogelijkheid om een voorschot te nemen in het kader van het verwerven van een onroerend goed.  Dit is niet mogelijk bij een interne pensioenvoorziening.

In het kader van het recente generatiepact is er ook een verschil in eindtaxatie.  Een uitkering van een IPT-verzekering ten vroegste vanaf de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar) zal belast worden tegen 10% (i.p.v. 16,5%) wanneer u tot aan deze pensioeleeftijd effectief actief bent gebleven.  Dit is echter niet voorzien voor interne pensioenvoorzieningen (cfr Fiscoloog 1007, p. 8).

Omvorming  U kan echter opteren om uw interne pensioenvoorziening (van voor 1 januari 2004) op een fiscaal neutrale manier om te zetten in een IPT-verzekering (cfr art 515 septies WIB 1992).  Het spreekt voor zich dat alle regels moeten nageleefd worden : respecteren van de 80%-regel, de cash moet aanwezig zijn, de taks van 4,4% zal moeten betaald worden, …

We merken dat de keuze tussen een (interne) pensioenvoorziening en een IPT-verzekering meer om het lijf heeft dan enkel het ‘cash-element’. 
Zaken zoals leeftijd, mogelijke verkoop van de vennootschap, al dan niet risicovolle activiteiten van de vennootschap , … verdienen in uw keuze minstens zoveel belang.