Een studiebureel had in aanslagjaar 1997 geïnvesteerd in een antieke tafel en kast. Er bestaat niet de minste twijfel over het feit dat zowel de kast als het bureel als antiek gekwalificeerd worden, en tevens als kantoormeubilair werd gebruikt.  Hierop wordt een afschrijving a rato van 20 % per jaar toegepast. De fiscus betwistte de afschrijvingen op grond van het feit dat antiek geen waardevermindering zou ondergaan.

Ook de gewestelijke directeur deelt die opvatting  zodat de vennootschap haar gelijk zocht bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.  De rechter wees de administratie terecht in een beknopt vonnis. Het staat aldus de rechter "ontegensprekelijk” vast dat ook antieke meubelen verslijten door het effectief gebruik als kantoormateriaal en dus een waardevermindering ondergaan door het beroepsmatig gebruik. 

Rekening houdend met het gebruik en de ouderdom van de meubelen dient een jaarlijkse afschrijving van 10 % geacht te worden aan de werkelijke waardevermindering.  In haar besluiten had de administratie blijkbaar verwezen naar artikel 52,10° WIB 92. Dit artikel laat de administratie toe het gedeelte van de kosten te verwerpen dat op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft.

De rechtbank benadrukt dat deze bepaling een uitzondering op de algemene regel van artikel 49 WIB 92 zodat de bewijslast van het onredelijke bedrag van de beroepskosten op de administratie ruist. In voorliggende casus had de administratie niet het bewijs geleverd dat de aankoop van de antieke kast en tafel de beroepsbehoeften overschreden.  In 2004 diende ook de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zich uit te spreken over de afschrijvingen van een meer dan honderd jaar oude antiek bureaukast (waarde van 110.0000 bef) die een notaris had toegepast.  Ook toen argumenteerde de rechtbank dat antiek niet in aanmerking komt ingevolge het ontbreken van een waardevermindering zoals vereist in artikel 62 WIB 92. 

De rechtbank benadrukte dat er fiscaal slechts een afschrijving aanvaard wordt in de mate dat er sprake is van een waardevermindering. Dit was volgens de rechter per veronderstelling met antiekmeubelen niet of nauwelijks het geval. 

Derhalve heeft de fiscus terecht de afschrijvingen geweigerd (Rb. Brugge, 29 juni 2004, www.fiscalnetnl.be). De niet afschrijfbaarheid wordt aldus de rechtbank gecompenseerd door  het niet belastbaar zijn van de op antiek verwezenlijkte meerwaarde. 

Recent bevestigde ook de rechtbank van eerste aanleg te Mons deze stelling. Kunstwerken kunnen niet afgeschreven worden vermits ze niet in waarde verminderen (Rb. Mons, 24 mei 2005, Fisc.Act., 2005, afl. 30, 14)  In 1982 besliste het Hof van Beroep te Brussel dat een beroepsvioliste zijn stradivariusviool, waarvan hij beroepsmatig intensief gebruik maakte ter gelegenheid van concerten en oefeningen mocht afschrijven a rato van 5 % per jaar (Brussel, 4 mei 1982, www.fiscalnetnll.be).  

In een administratieve circulaire van 1982 benadrukt de administratie dat het antieke karakter van meubelen niets te maken heeft met redelijke beroepsbehoeften.  In de mate dat de aankoop van antieke meubelen leidt tot een meeruitgave boven het aanschaffen van nieuwe meubelen, moet een gedeelte van de afschrijving van het meubilair verworpen worden (Circulaire Ci.D. 19/324.587 d.d. 1 juni 1982, Bull.Bel., nr. 608, blz. 16.78 en www.fisconet.fgov.be en COM IB (1992), nr. 53.194).

Bron: Rb. Antwerpen  2 mei 2007