Kan de fiscus toch een vennootschap als fictief terzijde schuiven wanneer het winstoogmerk ontbreekt ?

Een vennootschap die quasi geen omzet realiseert en enkel kosten maakt, heeft een fictief karakter. Enkel vennootschappen die een regelmatig vennootschapscontract hebben gesloten, kunnen onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en hun kosten in aftrek brengen. Dit vereist dat de vennootschap is opgericht om winsten te maken, wat in casu volgens de rechtbank van eerste aanleg te Bergen niet het geval was (Rb. Bergen, 25 februari 2009).

Een tandarts richtte een vennootschap (bvba) met als doel het beheren en uitbaten van vliegtuigen.  Deze vennootschap koopt een zweefvliegtuig, waarvan alle kosten als beroepskosten in de vennootschap worden geboekt.  Het zweefvliegtuigje werd bijna uitsluitend gebruikt door de werkend vennoot-zaakvoerder.  De taxatiediensten weigerde de aftrek van alle met het zweefvliegtuig verband houdende kosten.  Zij oordeelde dat de vennootschap uitsluitend werd opgezet om de hobby van de zaalvoerder fiscaal te optimaliseren. De uitgaven waren niet gedaan om inkomsten te verwerven of te behouden. Meer nog in de directoriale beslissing werd onomwonden gesteld dat de vennootschap werd opgericht om verliezen te maken.  Zo bleek de vennootschap slechts 1400 euro omzet te hebben verwezenlijkt over een periode van twee jaar.

Alle uitgaven werden als verworpen uitgaven bij de belastbare winst gevoegd.  Volgens de administratie kan deze fictieve  vennootschap geen fiscaal resultaat genereren.  Derhalve besliste de gewestelijke directeur de aanslag te ontheffen.    De vennootschap kon zich hierin niet vinden en legde  het dossier voor aan de rechtbank van eerste aanleg te Bergen (Rb. Bergen, 25 februari 2009). 

Voor de rechtbank argumenteerde de vennootschap dat het zweefvliegtuig ook ter huur werd aangeboden.  Uit de voorliggende stukken bleek dat de vennootschap slechts drie klanten had, waaronder de zaakvoerder en zijn boekhouder. De enige piloot was de werkend vennoot-zaakvoerder, terwijl de omzet quasi nihil was.  Er werd ook geen enkel bewijs geleverd van enige commercialisatie of publiciteit van dat zweefvliegtuigje, dat het enige actiefbestanddeel was van die vennootschap.

Ook de rechter ziet de vennootschap als een vehikel om de btw op de investeringen te kunnen recupereren, en alle kosten van de hobby van de zaakvoerder via de opgezette vennootschapsstructuuur aftrekbaar te maken.  De rechter stelt dat de vennootschap niet geldig is opgericht aangezien zij duidelijk niet opgestart werd om winst te maken.
De wijze waarop de vennootschap functioneert is strijdig met artikel 1 W. Venn.. Dit artikel stipuleert dat een vennootschap moet opgericht worden met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk om aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensbestanddeel toe te kennen. Kortom, de vereiste affectio societatis ontbreekt. Het vonnis bevestigt dan ook de bestreden aanslagen.

Dit vonnis is bijzonder merkwaardig. Op grond van artikel 53,10 ° WIB 92 kan de administratie onredelijke beroepskosten herleiden. Volgens vaststaande cassatierechtspraak mag de administratie zich geenszins mengen in het beleid van een onderneming (Cass., 20 oktober 1959, Pas., 1960, I, 216 en Cass., 23 oktober 1963, R.W., 1964-65, 259; Antwerpen, 10 september 1990, Bull.Bel., 1992, 895 en Brussel, 29 september 1995, Fisc., afl.539, 9).  In dit vonnis tracht de administratie, daarin volledig gevolgd door de rechtbank een totaal ander pad te bewandelen om de opgezette fiscale structuur af te blokken.  Volgens de rechter is  de aftrek van beroepskosten slechts mogelijk is als de vennootschap  onderworpen is aan de vennootschapsbelasting. Dit laatste is slechts mogelijk wanneer er sprake is van een regelmatig vennootschapscontract, dat op zijn beurt vereist dat de vennootschap is opgericht met een winstoogmerk.  Uit vennootschapsrechtelijk oogpunt stellen we ons hierbij vragen.

Het Wetboek van Vennootschappen stelt uitdrukkelijk dat een vennootschap slechts door een rechter nietig kan verklaard worden op grond van een aantal limitatief opgesomde voorwaarden. Bovendien heeft een eventueel uitgesproken nietigheid slechts uitwerking vanaf het vonnis, dus geen retroactieve werking (Artt.174 – 176 W. Venn.).  Deze regelgeving vloeit voort uit de Europese Eerste Richtlijn die op limitatieve wijze de nietigheidsgronden van een vennootschap vastlegt. Ook de rechtsleer lijkt ernstige twijfels te hebben of de administratie het fictieve karakter van een rechtsgeldig opgerichte vennootschap kan inroepen om de winsten te belasten in de personenbelasting in plaats van in de vennootschapsbelasting (S.VAN CROMBRUGGE, “Doorbraak van rechtspersoonlijkheid in het fiscaal recht”, in Actuele problemen van het fiscaal recht, Antwerpen, Kluwer, 1989, 153- 160 en F. VANISTENDAEL,” Waarheid en leugen omtrent de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap in het belastingrecht”, in Liber Amicorum Jan Ronse, Brussel, Story-Scientia, 1986, 366-367).

Met dank aan Mr Guy Poppe, advocaat te Antwerpen