Vandaag zorgt menig vennootschap voor haar bedrijfsleider(s) dat er een pensioenkapitaal opgebouwd kan worden. Er zijn verschillende mogelijkheden… Wat zijn de verschillen en wat heeft dit te maken met vastgoed?
 
We moeten even fiscaal gaan om u goed vastgoedadvies te geven.

Intern en externe pensioenvoorziening
Wat? Met een ‘interne onderhandse pensioenovereenkomst’ (interne pensioenvoorziening) bedoelen we een pensioenovereenkomst die de vennootschap aangaat met haar bedrijfsleider zonder dat zij beroep doet op een externe verzekeraar. Een externe individuele pensioentoezegging (IPT-verzekering) is een pensioenovereenkomst in het rechtstreekse voordeel van de bedrijfsleider waarbij wel beroep wordt gedaan op een verzekeraar. 

Een interne pensioenvoorziening
wordt dikwijls aanzien als de ultieme fiscale droom, nl vennootschapswinsten wegboeken zonder dat er een geldtransfer mee gepaard gaat.  Dit is echter anders bij een IPT-verzekering.  De premies die de vennootschap aan de verzekeraar betaalt gaan vanzelfsprekend wel gepaard met een geldelijke transactie (cash out).  De interne pensioenvoorziening daarentegen verloopt enkel via de boekhoudkundige post van de voorzieningen.

Wat is de beste keuze?
Maar welke optie verdient nu de voorkeur : “intern” of “extern ?”.  Deze vraag kan niet zomaar beantwoord worden en hangt ook af van een aantal niet-fiscale factoren.  Een overzicht …
Let op! Een voorziening heeft als gevolg dat wanneer de vennootschap failliet gaat men als bedrijfsleider ook niets meer zal ontvangen.  Dit is niet het geval bij een IPT-verzekering waar men een vordering heeft op de verzekeraar. Dit is zeker niet onbelangrijk als uw vennootschap een risicovolle activiteit uitoefent.

Bij de uitkering van een interne pensioenvoorziening zal men ook daadwerkelijk op pensioen moeten gaan.  Zo niet zal op basis van het zogenaamde fiscale attractiebeginsel, de uitkering als een bezoldiging belast worden. Dus niet tegen het gunstig tarief van 16,5%. Wanneer een verkoop van de vennootschap vóór de uitkering van de pensioenvoorziening plaatsvindt, dan betekent dit dat men moet kunnen vertrouwen op de koper om uit te betalen. Men heeft immers de reeds aandelen verkocht …
Extra taks. Een IPT-verzekering betekent wel, in tegenstelling tot de pensioenvoorziening, een te betalen taks van 4,4%. Ook zijn er bij een IPT-verzekering bijkomende kosten verschuldigd (oa makelaarsloon). Dit betekent dan weer wel dat de vennootschap voor de gehele administratie zelf zal moeten zorgen. Een IPT-verzekering kent een winstdeelname die niet belast wordt aan de 16,5%.  Een interne pensioenvoorziening kent geen winstdeelname. Niettegenstaande moet dit argument wel enigszins genuanceerd worden.

En nu het onroerend goed
Een IPT-verzekering biedt ook de mogelijkheid om een voorschot te nemen in het kader van het verwerven van een onroerend goed.  Dit is niet mogelijk bij een interne pensioenvoorziening.  Let wel een blote eigendom kan niet !  Een buitenlands onroerend goed is echter wel mogelijk zolang het maar in de E.E.R. gelegen is. Een uitkering van een IPT-verzekering ten vroegste vanaf de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar) zal belast worden tegen 10% (i.p.v. 16,5%) wanneer men tot aan deze pensioeleeftijd effectief actief is gebleven.  Dit is echter niet voorzien voor interne pensioenvoorzieningen. We merken dat de keuze tussen een (interne) pensioenvoorziening en een IPT-verzekering meer om het lijf heeft dan enkel het ‘cash-element’.