Een onroerend goed maakt reeds jaren deel uit van de vennootschap.  Vandaag wordt er beslist dit onroerend goed te verkopen.  Op de meerwaarde moet belasting betaald worden.  Dit is evident.

Deze belastingsfactuur echter kan gedrukt worden. Maar dan zal er moeten geherinvesteerd worden. Om het voordeel hier maximaal uit te halen zal de herinvestering in onroerend goed moeten gebeuren. Het gevolg is dat de gerealiseerde meerwaarde op het verkochte onroerend goed gespreid in de tijd wordt belast.  Dit dankzij art 47 WIB 1992. Let wel dat er aan een aantal voorwaarden moet voldaan zijn. De spreiding van de belastingsfactuur gebeurt in functie van de afschrijvingsduur van de nieuwe investering. Wanneer de verkoopprijs wordt geherinvesteerd in een onroerend goed dan wordt de meerwaarde dus gespreid over een periode van 33 jaar. 

De voorwaarden voor een gespreide taxatie zijn bondig samengevat de volgende (art 47 WIB 1992) :
• het verkochte onroerend goed dient reeds ten minste vijf jaar in de vennootschap aanwezig te zijn (uitgezonderd in geval van een gedwongen verkoop)
• de gehele verkoopwaarde dient te worden geherinvesteerd in afschrijfbare activa.
• De herinvestering dient te gebeuren binnen drie jaar of vijf jaar
• (…)

Per uitzondering vermelden we hier art 47 WIB 1992.

Artikel 47 WIB 1992
“§1. Wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld, worden de meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa die niet zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 44, § 1, 2° en § 2, 44bis en 44ter en die zijn verwezenlijkt, 
1° naar aanleiding van een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of
2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van immateriële vaste activa waarop fiscaal afschrijvingen werden aangenomen of van materiële vaste activa en voor zover de vervreemde goederen sedert meer dan 5 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden, aangemerkt als winst of baten van het belastbare tijdperk waarin de herbelegde goederen zijn verkregen of tot stand gebracht en van ieder volgende belastbare tijdperk en zulks naar verhouding tot de afschrijvingen op die goederen die respectievelijk op het einde van het eerst vermelde belastbare tijdperk en voor elk volgende belastbare tijdperk in aanmerking worden genomen en, in voorkomend geval, tot het saldo op het ogenblik dat de goederen ophouden gebruikt te worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid.
Met materiële vaste activa worden gelijkgesteld, de terreinen en gebouwen die voorkomen onder de actiefpost beleggingen, overeenkomstig de wetgeving betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
§ 2. De herbelegging moet gebeuren in afschrijfbare immateriële of materiële vaste activa die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.
§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :
1° die verstrijkt na 3 jaar volgend op het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, 1°;
2° van 3 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarden vermeld in § 1, 2°, zijn verwezenlijkt.
§ 4. Wanneer wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig, wordt, in afwijking van § 3, 2°, de herbeleggingstermijn gebracht op 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt, of vanaf de eerste dag van het voorlaatste belastbare tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.
In afwijking van § 1 wordt in gevallen als vermeld in het eerste lid, de meerwaarde in het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt als winst of baten aangemerkt naar verhouding tot het bedrag van de afschrijvingen op het door herbelegging verkregen goed die op het ogenblik van verwezenlijking van de meerwaarde reeds in aanmerking zijn genomen.
§ 5. Om het in § 1 vermelde belastingstelsel te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar van de verwezenlijking van de meerwaarde en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de verwezenlijkte meerwaarde volledig belast is, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 6. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in de §§ 2 tot 4 wordt de verwezenlijkte meerwaarde, of het gedeelte ervan dat nog niet is belast, aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. “

Een voorbeeld maakt deze techniek duidelijk.

Een vennootschap heeft in 2000 een woning aangekocht ter waarde van 300.000 EUR (200.000 EUR gebouw + 100.000 EUR grond).  Het gebouw wordt afgeschreven over 33 jaar.  Let wel grond wordt NIET afgeschreven.  We zijn 10 jaar later en zij wil het gebouw verkopen voor 500.000 EUR.

Meerwaarde :
Boekwaarde : 100.000 + (200.000 x 70%) = 240.000 EUR
Verkoopprijs : 500.000 EUR
= belastbare meerwaarde
    500.000 – 240.000 = 260.000 EUR

Dit betekent een belastingsfactuur van 88.374 EUR (VenB). 

Maar wanneer de vennootschap nu de verkoopprijs van 500.000 EUR herinvesteert in  een ander onroerend goed (dus ook hier opletten met de grond) dat afgeschreven wordt over een periode van 33 jaar, dan zal de meerwaarde evenzeer gespreid worden over die 33 jaar.  De te betalen vennootschapsbelasting moeten we dan actualiseren (stel 6%) 37.727 EUR.  Een niet onbelangrijk verschil …

Maar hoe zit het met de verkoop van GOODWILL ?

Kan een vennootschap die bv haar goodwill verkoopt ook dit bedrag spreiden in de tijd door te herinvesteren ?

Hier kijken we even terug naar het vermelde art 47 WIB 1992.  Meerwaarden die sinds 27 september 1996 worden gerealiseerd op immaterieel vast actief waarop fiscaal geen afschrijvingen werden toegepast kunnen niet genieten van de gespreide taxatie .  M.a.w. die immateriële vaste activa die door de vennootschap zelf werden opgebouwd (art. 47 §1 WIB/92 (BS 31 december 1996)) vallen dus uit de boot.
Lijkt eenvoudig, maar de realiteit is anders.

Er bestaat hierover al enige tijd discussie.  Getuige het volgende verhaal …

Een apotheker wenst de overstap te maken van éénmanszaak naar vennootschap.  Deze apotheekvennootschap heeft dan ook het handelsfonds van een apotheek verworven. Zoals gebruikelijk (cfr KB 13 april 1977) bij apothekers bestaat dit handelsfonds uit materiële vaste activa, voorraad en goodwill.  Het is zelfs zo dat hier een verslag van een erkend deskundige; aangesteld door het Ministerie van volksgezondheid,  noodzakelijk is.
De apotheekvennootschap schrijft ook de goodwill af over een periode van 10 jaar. Later echter wordt deze volledig afgeschreven goodwill door de vennootschap verkocht. De apotheekvennootschap opteert voor de spreiding van deze meerwaarde (goodwill). Maar de fiscus ziet het echter anders en gaat niet akkoord. Kort samengevat stelt de fiscus dat deze meerwaarde helemaal niet in aanmerking komt voor de spreiding.  De redenering is gebouwd op de vermelde wijziging van art 47 WIB 1992 nl dat de spreiding niet mogelijk is op zelf opgebouwde goodwill. De goodwill die de vennootschap nav de quasi-inbreng heeft verworven is immers afgeschreven.  De verkoop van de goodwill nu kan dan ook niet anders uitgelegd worden dat de goodwill die zelf door de apotheekvennootschap werd opgebouwd.  Het gevolg is dan ook dat deze niet in aanmerking komt voor de speiding van art 47 WIB 1992.  Aldus de fiscus.

De rechtbank van eerste aanleg te Leuven (Rb Leuven 19 november 2004) volgt deze administratieve redenering. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft deze redenering vroeger echter niet aanvaard (Antwerpen 21 oktober 2003).

En nu sluit ook het Hof van Beroep van Brussel zich hierbij aan (Brussel 3 juni 2010).  Het is immers de uitspraak van de rechtbank te Leuven die door het Hof verbroken wordt. Het Hof van Beroep te Brussel stelt immers dat de goodwill meer is dan cliënteel alleen (cfr art 95 §1 II lid 4 KB/W.Venn).  Ook is het niet sowieso het geval dat wanneer de clienteel dat deel uitmaakt van de goodwill, afgeschreven is , dit per definitie betekent dat dit cliënteel volledig  vervangen werd door nieuw cliënteel.  Een opsplitisng tussen oud en nieuw cliënteel is ook niet in overeenstemming met art 47 WIB 1992.  Dit werd trouwens ook door het Hof van Beroep van Antwerpen (zie boven) reeds vroeger verteld. Gevolg de meerwaarde op de goodwill kon wel gespeid belast worden.

Deze uitspraak is echter niet onbelangrijk.
Bij veel vrije beroepen is het immers grbruikelijk te werken met goodwill.  Niettegenstaande is het vandaag fiscaal niet altijd interessant meer dit te doen. 
Want gedurende de voorbije jaren zijn de alternatieven om gelden aan de vennootschap te onttrekken immers gedaald :

– Het maximale tarief vennootschapsbelasting daalde van 40,17% naar 33,99%. 
– Het tarief roerende voorheffing is vandaag voor nieuwe vennootschappen veelal 15% i.p.v. 25% (weliswaar voorwaarden te vervullen). 
– De notionele intrestaftrek die ondertussen erbij is gekomen wat maakt dat de vennootschapsbelasting nog verder daalde..
– De uitkering van de groepsverzekering is in sommige gevallen gedaald van 16,5% naar 10%.
– Het tarief van 55% en 52,5% in de personenbelasting werd afgeschaft.
– (…)

Daarnaast stellen we vast dat het tarief van 33% (+ gemeentebelasting) dat we kennen in de personenbelasting ongewijzigd is gebleven. Maar wanneer, nav de oprichting van de vennootschap, er géén goodwill werd overgedragen dan is een spreiding dan ook niet mogelijk.  Iets waar later anders kan over gedacht worden.

Denken we maar aan het volgende voorbeeld
Een belastingplichtige doet de overstap van een éénmanszaak naar een vennootschap. Hij draagt zijn ganse handelsfonds over. Later wordt er een onroerend goed aangekocht in deze vennootschap (‘privé-woning’).  De man vindt dat hij hard genoeg gewerkt heeft en besluit te stoppen. Hij wenst echter zijn aandelen niet te verkopen maar wel voor het handelsfonds (materieel, voorraad en goodwill). Anders is hij ‘zijn’ onroerend goed kwijt en dat is zeker niet de bedoeling.  Wanneer de vennootschap echter het bedrag van het materieel en goodwill herinvesteert in het reeds jaren gewenste appartement aan zee dan kan het een aanzienlijk verschil zijn wanneer er wel of niet met goodwill werd gewerkt.  De verdere uitbouw van het vastgoed in de vennootschap kan immers bijkomend interessant zijn bij de uitwerking van een aanvaardbare successieplanning. 

Kortom het al dan niet gewerkt hebben met een goodwill kan hier duidelijk een verschil betekenen.