Een vennootschap die actief is in de consultancy in de reclamesector en in de sponsoring van de autosport sluit met een leasingmaatschappij gedurende een aantal jaren een overeenkomst voor de leasing van een sportwagen Ferrari Testarossa. De administratie verwerpt voor de aanslagjaren 1991 tot en met 1994 alle kosten met betrekking tot de leasing van deze wagen op grond  van artikel 53,10° WIB 92.  Zij was van oordeel dat de uitgaven onredelijk hoog lagen. De vennootschap voerde aan dat zowel in de reclame en autosportwereld het imago uitermate belangrijk was, waardoor het commerciële en bedrijfseconomische redenen noodzakelijk was zulk type van wagen te leasen.  Bovendien werd deze wagens verhuurd en ter beschikking gesteld van cliëntele als demonstratiewagen of voor publiciteit. Tevens wees de vennootschap op het laag aantal gereden kilometers per jaar (3187 en 827 km) en het ontbreken van onderhoudsfacturen, waaruit ten overvloede kon afgeleid worden dat er ook nog andere bedrijfswagens waren. 

Nadat de gewestelijke directeur het standpunt van de taxatiediensten bevestigde, legde de vennootschap haar dossier voor aan het hof van beroep te Brussel (oude procedure).

Voor het Hof verandert de administratie haar standpunt door plots het beroepsmatig karakter van de achtereenvolgens geleasde Ferrari’s in vraag te stellen. Zij stelde dat het ter beschikking stellen van dergelijke wagens aan clienten niets bijbrengt aan het imago van de belastingplichtige. Het Hof benadrukt dat voor een reclameconsultant het imago en de uitstraling ervan niet weg te cijferen is, en de wagen als een publicitair imago-voorwerp kan dienen. 

In ondergeschikte orde stelde de administratie voor de wagenkosten te aanvaarden in functie van een “redelijke” investeringswaarde van een wagen van ca.1.500.000, terwijl de aanschaffingswaarde van de Ferrari’s rond de 4.900.000 bef schommelde.  Ook op dit punt wees het hof de administratie terecht.  Dit  standpunt impliceert een verboden opportuniteitscontrole op een beroepsmatige uitgave. 

Het hof onderstreept nogmaals dat zowel de taxatiediensten als de gewestelijke directeur het beroepsmatig karakter van deze wagens aanvaard hadden, en de betwisting zich beperkte tot het promotioneel gebruik ervan door een gelieerde vennootschap.  Zonder hieromtrent in concreto in te gaan beslist het hof dat de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot de Ferrari’s kaderen in het maatschappelijk doel van de vennootschap. Het volstaat voor de administratie niet vast te stellen dat de investering (via leasing) in dergelijke luxewagens hoger ligt dan de uitgave van een doorsnee wagen in verhouding tot de beroepsbehoeften om deze kosten te verwerpen of te herleiden. Volgens vaststaande rechtspraak mag de fiscus de opportuniteit van de kosten niet onderzoeken (o.m. Cass., 23 januari 1958, J.P.Dr.F., 1958, 33;  Cass., 4 februari 1968, Arr.Cass., 1969, 535; Gent, 28 mei 1991, T.R.V., 1991, 292; Brussel, 21 januari 1992, A.F.T., 1992, nr.6, blz. 220 en Antwerpen, 23 november 1993, F.J.F., N° 94/60 en Antwerpen, 21 december 1999, onuitgeg.). 

De fiscus mag echter wel een onderzoek voeren naar het beroepsmatig karakter van bepaalde uitgaven.  De fiscus mag ook nagaan of de beroepskosten geen overdreven karakter hebben. Op grond van artikel 53,10° WIB 1992 kan hij immers de kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen verwerpen. Dit artikel is een duidelijke beperking op de algemene regel van artikel 49 WIB 1992, en dient dan ook beperkend te worden geïnterpreteerd (Antwerpen, 2 januari 1995, F.J.F, N° 95/59). Met dit artikel gaf de wetgever de Administratie een wapen tegen de zogenaamde status uitgaven (in die zin: Luik, 26 oktober 1988, A.F.T., 1989, 51 en Luik, 25 februari 1987, F.J.F., N° 87/161). Stelselmatig heeft de Administratie – volkomen tegen de ratio legis van dit artikel in –  de toepassingssfeer van deze bepaling trachten uit te breiden. 

De rechtspraak floot de fiscus echter geregeld terug. Zo bevestigde het hof te Antwerpen in 1993 uitdrukkelijk dat artikel 53,10° WIB 1992 niet toelaat kosten te verwerpen op basis van het feit dat de kosten hoger liggen dan de inkomsten (Antwerpen, 29 juni 1993, Fisk.Koerier, 1993/639, noot DEFOOR, W.). In dit arrest ging het hof duidelijk terug naar de ratio legis van dit artikel, en benadrukt dat enkel deze kosten gemaakt met het oog op het voeren van een bepaalde sociale status geviseerd worden door artikel 53,10° WIB 1992.

Het Hof benadrukt dat de administratieve commentaar (COM IB 1992 nr. 44/527) – waarin de uitbreiding naar de beroepskosten die niet in verhouding staan tot de beroepswerkzaamheden – strijdig is met de draagwijdte van de wettekst van artikel 53,10° WIB 1992. Het zonder meer verwerpen van alles wat het forfait te boven gaat, is dan ook onwettig. Het overdreven karakter moet door de fiscus worden bewezen. De beoordeling van het onredelijke karakter is steeds een feitenkwestie. Zo oordeelde het hof te Luik in 1986 dat aan bedrijfswagen BMW 728 voor een tekenaar in overheidsdienst niet onredelijk is, terwijl andere rechtspraak een Porsche als bedrijfswagen weigerde (Mons, 2 maart 1989, F.J.F., N° 89/ 104). 

De appreciatie moet gebeuren in functie van de eigenheid van het beroep. Zo oordeelde het Hof te Gent dat een jaarlijkse uitgave van  8.676,27 euro (BEF 350.000) aan boeken en tijdschriften voor een hoogleraar letterkunde geen onredelijke beroepsuitgave is (Gent, 28 november 1989, F.J.F., N° 90/126 en A.F.T., 1990, nr.6, 212). De afgelopen.   Uit een loutere wanverhouding tussen de baten en de lasten kan de onredelijkheid van de uitgave niet worden afgeleid (Luik, 7 juni 1989 en Gent, 25 juni 1991, F.J.F., N° 91/185).     

Bron: Brussel, 14 maart 2008

et dank aan advocaat G Poppe