Een handgift van aandelen sluit het voorbehoud van vruchtgebruik niet a priori uit.  Indien een erfgenaam van oordeel is dat aandelen ten onrechte aandelen werden aangegeven in de nalatenschap draagt hij hiervan de bewijslast.  Zowel een eenzijdige, geregistreerde verklaring van handgift als een overeenkomst krachtens hetwelk de vruchtgebruiker en  naakte eigenaar overeenkomen wie de stemrechten verbonden aan de aandelen zal uitoefenen leveren het bewijs van de wil tot schenking, maar niet van de materiële overhandiging op het tijdstip van de handgift (Gent, 17 april 2007).
  
Op 8 juni 1989 richtte een man een immobiliënvennootschap op  met een startkapitaal van 26.200.000 Bef, verdeeld over 262 aandelen. Hij tekende in op 261 aandelen, terwijl zijn echtgenote intekende op het overige aandeel. Op 31 oktober 1989 verklaarde hij in een onderhandse akte een handgift te hebben gedaan van 250 aandelen van die vennootschap met voorbehoud van vruchtgebruik aan zijn echtgenote. Deze eenzijdige verklaring werd ter registratie aangeboden op 31 januari 1990.  Op 1 augustus 1999 overleed de man zonder testament. Zij echtgenote was enig erfgenaam.  In december 1999 werd de aangifte van nalatenschap ingediend waarin melding werd gemaakt van 131 aandelen van de  vennootschap met een waarde van ruim 337.000 euro. Enkele maanden later meldde de tussenkomende notaris aan de ontvanger van de successierechten dat er een materiële fout was geslopen in de aangifte van nalatenschap. Er zouden slechts 11 in plaats van 131 moeten worden aangeven. Op grond van deze correctie werd gevraagd de teveel betaalde rechten terug te storten.  De ontvanger weigerde hierop in te gaan. Hij argumenteerde dat de handgift slechts een eenzijdig document was, en een voorbehoud van vruchtgebruik onmogelijk was.  Nadien krabbelde de ontvanger wat terug.  Hij betwiste niet langer de rechtsgeldigheid van het document, doch eiste het bewijs van (a) de daadwerkelijke materiële overhandiging en (b) het bewijs van ononderbroken bezit van de aandelen sinds  de afgifte. De erfgename dagvaardde de Belgische Staat in terugbetaling van de ten onrechte betaalde successierechten ten bedrage van bijna 83.000 euro.  In een vonnis van 22 juni 2005 wees de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering af (Rb. Gent, 22 juni 2005, Acc. & Fisc., 2005, afl. 6,1-2; F.J.F, 2006, afl.7, 659, nr° 207 en Fisc.Koerier, 2006, afl.17, 613).  De erfgename stelde hoger beroep in bij het hof van beroep te Gent.

Voor het hof stelt de erfgename dat op voldoende wijze is aangetoond dat een werkelijke overdracht (“traditio”) heeft plaatsgevonden door het onderhands geschrift van 31 oktober 1989.  Dat document vermeldt immers uitdrukkelijk dat hij de aandelen bij wijze van handgift heeft geschonken. En voor zover de akte niet rechtstreeks zelf het bewijs levert van de “traditio” geldt zij minstens als basis van het vermoeden dat de “traditio” heeft plaatsgevonden.  In dat geval dient de ontvanger het tegenbewijs van dat vermoeden te leveren. Bovendien kan aangetoond worden dat zij onafgebroken in het bezit in de zin van artikel 2279 B.W. is gebleven van de 250 aandelen. Zo bleek dat de decujus na de overdracht nooit meer (in volle eigendom)  is opgetreden met de geschonken aandelen. De decujus beschikte statutair over het stemrecht van die aandelen, zodat hij niet langer in het materieel bezit moest blijven van die aandelen.  Tevens legde zij een brief aan een Belgische bank voor van  2 november 1989, waarin zij de vraag  richtte om de 250 aandelen in bewaargeving te geven.
 
De administratie daarentegen drong aan op de bevestiging van het vonnis. Op grond van artikel  135 W.Succ. is het aan de erflater om het bewijs te leveren dat de aandelen ten onrechte in de aangifte van nalatenschap werden opgenomen.  De ontvanger erkent wel dat uit de akte de wil tot schenken blijkt, doch ook de wil om specifiek met een handgift te willen schenken dient bewezen te worden.  Dat bewijs ontbrak  volgens de ontvanger.  Volgens de administratie zijn de handgift en het voorbehoud van vruchtgebruik onverenigbaar omdat de schenker – behalve wanneer hij de aandelen in bewaring geeft bij een derde (wat in casu duidelijk niet hete geval was) – over de detentie van de aandelen beschikt om het recht van vruchtgebruik uit te oefenen.  Tot slot argumenteert de Belgische Staat dat de erfgename zich niet op artikel  2279 B.W. kan beroepen om de “traditio” aan te tonen. Het bezit was niet ondubbelzinnig. Het tijdstip van de schenking wordt door de administratie niet in vraag gesteld, zodat ook de toepassing van artikel 7 W. Succ. (d.i. driejarige termijn tussen handgift en het overlijden van de schenker) niet aan de orde was.
 
Het Hof benadrukt dat de erfgename het bewijs moet leveren dat 250 aandelen ten onrechte werden aangegeven in de aangifte van nalatenschap, m.a.w. dat die aandelen zich op het tijdstip van het overlijden niet langer in het vermogen van de decujus bevonden.  Het Hof erkent uitdrukkelijk de mogelijkheid van een handgift met voorbehoud van vruchtgebruik. In beginsel is dan de vruchtgebruiker de houder van de zaak, doch in gemeen overleg tussen de naakte eigenaar en de vruchtgebruiker kan van deze regel afgeweken worden.  Derhalve kan de naakte eigenaar perfect in het materiële bezit worden gesteld van de aandelen zonder dat zulks het bestaan en de uitoefening van het recht van vruchtgebruik in hoofde van de vruchtgebruiker in de weg staat. Kortom, uit de eenzijdige verklaring van de schenker die tegelijk gewag maakt van een schenking bij handgift en het voorbehoud van vruchtgebruik kan geenszins worden afgeleid dat er geen handgift zou hebben plaatsgevonden.  Ook de wil om te schenken (“animo donandi”) staat niet ter discussie. 
 
Het Hof stipt aan dat de erfgename het bewijs moet leveren van de “traditio”, namelijk dat zij in werkelijkheid op het tijdstip van de schenking effectief de aandelen in handen kreeg om er als eigenaar te kunnen over beschikken. Dit bewijs mag met alle bewijsmiddelen geleverd worden, vermoedens inbegrepen.  Uit de (geregistreerde) verklaring van 31 oktober 1989 blijkt aldus het Hof nog niet de materiële overhandiging. De vermelding dat de schenking bij handgift is gebeurd kan hoogstens een feitelijk vermoeden zijn, dat samen met andere vaststaande feiten, gewichtige en overeenstemmende vermoedens van de “traditio” oplevert.    De statuten van de vennootschap in kwestie bevatte de vaak gehanteerde regeling dat bij gesplitste eigendomsrechten de  stemrechten opgeschort worden totdat de vruchtgebruiker en de naakte eigenaar een persoon hebben aangeduid om de rechten uit te oefenen. Op grond van deze statutaire bepaling hebben de naakte eigenaar en de vruchtgebruiker een overeenkomst opgemaakt krachtens hetwelk de vruchtgebruiker de stemrechten over de 250 aandelen zou uitoefenen.  Ook deze overeenkomst (waarin de (latere) erfgename uitdrukkelijk als naakte eigenaar wordt vermeld) bevestigt, aldus het Hof, het bestaan van de schenking, met andere woorden de aanvaarding ervan.  Maar ook deze overeenkomst levert niet het bewijs van de  materiële overhandiging ten tijde van de schenking.  De brief van destijds aan de bank inzake de bewaargeving laat weliswaar het vermoeden ontstaan van het bezit. Deze brief had echter geen vaste datum aangezien deze blijkbaar niet aangetekend was verzonden.
 
Het Hof komt dan ook tot de vaststelling dat de erfgename de “traditio” niet heeft aangetoond. het Hof bevestigt het bestreden vonnis, m.a.w. de aandelen werden terecht geacht deel uit te maken van het patrimonium van de decujus ten tijde van zijn overlijden.
 
Dit arrest bewijst nogmaals dat bij een handgift de “traditio” een uiterst essentieel element is. Het is dan ook een absolute noodzaak om hieraan de nodige aandacht te besteden bij elke vorm aangifte, ongeacht of er voorbehoud is van vruchtgebruik. Vaak wordt een heel scenario opgezet, waarbij de begiftigde bij aangetekend schrijven wordt uitgenodigd op een bepaalde plaats te komen om de handgift in ontvangst te nemen, bij voorkeur in aanwezigheid van één of meer (liefst onafhankelijke) getuigen.
 
Niet onbelangrijk is dat het hof  de rechtsgeldigheid van een handgift met voorbehoud van vruchtgebruik  erkent wanneer het stelt “het is niet steeds en zonder meer uitgesloten dat een handgift gepaard gaat met een voorbehoud van vruchtgebruik”. Hiermee sluit het arrest aan bij sommige (oude) rechtspraak (Luik, 31 mei 1893, Pas,, 1893, II,333, Rb. Gent, 26 februari 1890, Rev.Prat.Not, 1890, 367; Rb. Dendermonde, 4 mei 1912, Pas., 1912, III, 363 en Rb. Luik, 15 maart 1913, J.L., 1913, 142) ) en de rechtsleer (N.Torfs,”de handgift met modaliteiten”, N.FM., 1996, 264 en P. Debruyne,”Schenkingen van delen en aandelen”, V.& F., 1997,97). Andere rechtsleer (H.Casman,”Schenkingen en successierechten”, N.F.M., 94, afl.7, 13 en C. Lambert,”Le don manuel en droit fiscal”, R.G.E., nr. 24.837, 396-397) ls in de rechtspraak (o.m. Rb. Namur, 21 maart 1881, Pas., 182, II, 326) stellen onomwonden dat het voorbehoud van vruchtgebruik onverenigbaar zou zijn met de vereiste van de materiële overhandiging.
 
Terzake kan ook verwezen worden naar een arrest van het Hof van Beroep te Mons uit 1996. Het feit dat de naakte eigenaar van kasbons aan toonder deze occasioneel aan de vruchtgebruiker overmaakte om zijn vruchtgebruik op die effecten uit te oefenen,  heeft niet tot gevolg dat het bezit van de naakte eigenaar ondubbelzinnig zou zijn, en dat er in dat geval geen voorafgaand “traditio” zou hebben plaatsgevonden (Mons, 13 februari 1996, Rev.Not., 1996,2),
  Bron: Gent, 17 april 2007.