De zesde staatshervorming zorgt ervoor dat er fiscaal grondig wat zal wijzigen (cfr de bijzondere wet van 6 januari 2014 “tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden” (BS 31 januari 2014)). De  Gewesten zijn voortaan exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en -kredieten met betrekking tot de volgende zeven categorieën van uitgaven (zie uitgebreid, bron Fiscoloog nr 1373, p.1 ev) :

1° uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning (tot deze uitgaven beho­ren : interestbetalingen en kapitaalaflossingen voor leningen die werden aangegaan om een eigen woning te bouwen, aan te kopen, te verbouwen of te renoveren; de premiebetalingen voor schuldsaldoverzekeringen die de bovenstaande leningen waarborgen; de premiebetalingen voor individuele levensverzekeringen die werden aangegaan om een eigen woning te bouwen, aan te kopen, te verbouwen of te renoveren; de erfpacht- en opstalvergoedingen die worden betaald voor de eigen woning; cf. Parl.St. Kamer 2012-2013, nr. 53-2974/001, 28);

2° uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/31 WIB 1992);

3° uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten en landschappen (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/36 WIB 1992);

4° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van PWA’s en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/21 WIB 1992);

5° energiebesparende uitgaven in een woning met uitzondering van de interesten die betrekking hebben op zgn. groene leningen (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/24, § 1 en 535 WIB 1992);

6° uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/25 WIB 1992, die evenwel de facto momenteel niet meer van toepassing is);

7° uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen (cf. de huidige belastingvermindering van art. 145/30 WIB 1992).

In de Circulaire nr. Ci.RH.331/625.119 (AAFisc 37/2013) dd. 09.10.2013, vindt u hiervan een duidelijk overzicht terug.

Maar wat met de fiscale aftrek van uw hypothecair krediet ?  Ook dat zal naar de toekomst wijzigen vermits dit mee opgenomen werd in deze zesde staathervorming.  En het moet gezegd dat de fiscaliteit er niet gemakkelijker op zal worden …

Hierbij vindt u een overzicht in een zogenaamde ‘FAQ-stijl’ ter beschikking gesteld door de Fod Financiën.  Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de eigen woning en de andere woning.

  1. De zesde staatshervorming zorgt er voor dat de gewesten bevoegd worden voor de fiscale voordelen van de woonfiscaliteit. Wat houdt dit juist in?

De gewesten krijgen de exclusieve bevoegdheid over de fiscale voordelen voor de uitgaven voor het verwerven of behouden van de ‘eigen woning’. Dat is in principe de woning waarvan u eigenaar bent en die u zelf bewoont.

Dit houdt in dat de gewesten voortaan de fiscale regels voor de voordelen voor die eigen woning bepalen. De federale overheid blijft bevoegd voor de fiscale behandeling van de ‘andere woningen’. De belastingheffing op het onroerend inkomen zelf blijft een federale materie.

  1. Vanaf wanneer kunnen de gewesten de fiscale voordelen voor de eigen woning wijzigen?

In principe kan dat vanaf 1 juli 2014, maar vermoedelijk zal dit zo snel nog niet gebeuren. Na de verkiezingen van 25 mei 2014 moet er immers eerst een meerderheid worden gevormd, moet er een regeerprogramma worden gemaakt en een regering komen. Tegen dan is het waarschijnlijk al eind 2014. Eventuele wijzigingen kunnen ook niet vroeger worden toegepast dan voor aanslagjaar 2015 (inkomsten 2014).

  1. Kunnen de gewesten ook de regels wijzigen voor leningen die al in 2014 of vroeger zijn afgesloten?

Dit is niet uitgesloten, maar sowieso kunnen die wijzigingen enkel op toekomstige aanslagjaren betrekking hebben, nooit op aanslagjaren die al zijn afgesloten. Overigens hebben sommige politieke partijen al laten weten dat ze niets gaan veranderen aan leningen die vóór 2015 zijn afgesloten.

  1. Wat als de gewesten niets doen?

Dan lopen de regels die nu federaal zijn vastgelegd gewoon door en dat tot zolang de gewesten iets wijzigen. Er is nu wel nog een wetswijziging op til die het wetboek inkomstenbelastingen conform moet maken aan de Bijzondere Financieringswet.

Dat houdt twee zaken in:

  1. De woonbonus wordt omgezet van een aftrek van het inkomen naar een belastingvermindering.
  2. Voor leningen die afgesloten worden vanaf 2015 of later kan het voordeel enkel worden gegeven onder een vast percentage dat door de gewesten wordt bepaald. Als die niets bepalen, dan is dat percentage voor die leningen gelijk aan 45% (het op één na hoogste tarief).

 

  1. Is de omzetting van aftrek van het inkomen naar een belastingvermindering nadelig voor de burger?

In principe niet. Voor de meeste belastingplichtigen blijft het voordeel gelijk. Uitzonderlijk kan het gebeuren dat dit voordeel, gekoppeld aan andere regels, voor sommigen voordeliger uitdraait, maar voor anderen dan weer iets nadeliger.

  1. Maakt de staatshervorming de woonfiscaliteit complexer?

Niet echt: iedere belastingplichtige zal het voordeel krijgen van het gewest waarin hij woont. Hij hoeft zich van de regels van de andere gewesten niets aan te trekken, zelfs niet als hij daar ook een woning heeft.

Op de belastingaangifte komt er wel een afzonderlijke rubriek ‘eigen woning’, waar de gewestelijke voordelen voor de eigen woning kunnen worden ingevuld. Voor meer dan 90% van de belastingbetalers blijft dit even eenvoudig als nu. Veel zal natuurlijk ook afhangen van het beleid dat de gewesten in de toekomst zullen voeren: zij kunnen de fiscaliteit complexer maken, maar ook vereenvoudigen op de punten waarvoor zij bevoegd zijn, zoals bv. voor de woonfiscaliteit.

  1. Blijven alle fiscale voordelen zoals woonbonus, bouwsparen en lange termijnsparen, bestaan?

In principe ja.

Momenteel is het mogelijk dat het fiscale voordeel voor een woning onder één van die 3 categorieën valt. Welnu, die soorten voordeel gaan gewoon mee over: wie nu een lopende lening heeft voor de eigen woning onder het stelsel van het bouwsparen, zal die gewoon voortzetten onder dezelfde regels van het bouwsparen die dan gewestelijk zijn. Tenzij de gewesten die regels later zouden wijzigen voor de lopende leningen (zie echter vraag nr. 3).

Voor de andere woningen die federaal blijven, blijven de 3 voordelen ook bestaan, alhoewel in de toekomst onder bepaalde omstandigheden dat van de woonbonus en het bouwsparen kan terugvallen op het lagere langetermijnsparen (30%).

  1. Zullen de gewesten genoeg middelen krijgen om de fiscale voordelen verder toe te kennen?

De gewesten ontvangen in principe de volledige massa aan middelen voor alle fiscale uitgaven die zijn overgedragen: meer dan 3 miljard euro. Wel is het zo dat er van de gewesten ook een deel van de inspanning in de sanering van de overheidsfinanciën wordt gevraagd: we moeten nog 2,1% BBP saneren en de gewesten en gemeenschappen samen zullen daarvan 0,6% BBP voor hun rekening nemen. Daarvoor gaan ze natuurlijk moeten besparen en/of nieuwe middelen vinden. Maar het is lang niet zeker dat ze daarom de voordelen voor de eigen woning zullen terugschroeven. Toch is het belangrijk te noteren dat de kost voor de woonbonus de laatste jaren wel heel sterk zal stijgen en misschien op termijn niet houdbaar zal zijn.

De gevolgen van de zesde staatshervorming: eigen woning

  1. Ik ga bouwen en ik sluit nog in 2014 een lening af.

Als u voldoet aan alle voorwaarden valt u onder het stelsel van de woonbonus. U krijgt dan een belastingvermindering tegen het marginale tarief (afhankelijk van uw inkomen:30, 40, 45 of 50%). Voldoet u niet aan alle voorwaarden, dan valt u terug op het langetermijnsparen (voordeel: 30%).

  1. Wat zijn die voorwaarden voor de woonbonus?

De belangrijkste voorwaarde is dat het om uw enige woning gaat op 31/12 van het jaar waarin u de lening heeft afgesloten. U mag dus geen eigenaar zijn van een andere woning. En in principe moet u op die datum ook effectief al in die woning wonen (er is wel een uitzondering voorzien als de woning nog in aanbouw is of niet kan worden betrokken omwille van wettelijke of contractuele redenen). De andere voorwaarden zijn: het moet om een hypothecair krediet gaan dat is afgesloten bij een instelling uit de EER en het moet een looptijd hebben van minstens 10 jaar.

  1. Wat is het voordeel van de woonbonus voor het inkomstenjaar 2014?

Het maximale uitgavenbedrag dat u per echtgenoot kunt inbrengen is 2.280 euro. Voor de eerste 10 jaar van de lening komt daar nog 760 euro bij en als er minstens 3 kinderen ten laste zijn op 1 januari van het jaar nadat de lening is afgesloten, nog eens 80 euro. Op die samengetelde bedragen wordt dan het marginale tarief toegepast (d.w.z. afhankelijk van uw inkomen: een belastingvermindering van 30, 40, 45 of 50%).

  1. Wat als ik in 2015 of later mijn lening afsluit?

Als het gewest niets wijzigt, dan blijven alle voorwaarden dezelfde. Het voordeel is dan wel een belastingvermindering van 45% voor iedereen.

  1. Wat als ik al een lening heb lopen van vóór 2014?

In principe wordt het belastingvoordeel gewoon verdergezet. Heeft u nu recht op een woonbonus, dan blijft dat verder een woonbonus, maar wel als belastingvermindering tegen het marginale tarief. Idem voor het voordeel bouwsparen: dat loopt gewoon door tegen het marginale tarief. Viel de lening onder het stelsel van het langetermijnsparen, dan loopt ook dat gewoon door.

  1. Wat gebeurt er als ik later verhuis naar een andere woning B?

In dat geval wordt die andere woning B uw ‘eigen woning’ en wordt uw huidige woning A een ‘andere woning’. Dat houdt in dat de lening voor uw huidige woning A vanaf dat ogenblik niet meer onder de gewestelijke regeling valt, maar wel onder de federale regeling. Als die verhuis nog plaatsvindt voor 2016 kunt u op de eerste woning nog de woonbonus of het bouwsparen op federaal niveau verderzetten. Gebeurt dat later, dan valt u terug op het gewone langetermijnsparen (voordeel aan 30%) *. Vanaf hetzelfde moment, zal een eventuele lening voor woning B onder de gewestelijke regels vallen.

* Deze bepaling maakt het voorwerp uit van een wetswijziging die nog door het parlement moet worden goedgekeurd.

  1. Wat gebeurt er als mijn nieuwe woning B in een ander gewest ligt?

Dit is vrij simpel: u moet dan in dat nieuwe gewest belastingen betalen en dus ook de regels van dat nieuwe gewest volgen. Voor de woonfiscaliteit kunnen die dan anders zijn dan in het gewest waarin u eerst woonde. Sowieso valt de fiscale regeling voor woning A ook onder de federale regels.

De gevolgen van de zesde staatshervorming: meer dan één woning

  1. Wat als ik geen enkele woning zelf betrek maar meerdere woningen heb die onder de voormelde uitzonderingen vallen?

Dan mag u kiezen, maar uw keuze is onherroepelijk. Ze wordt automatisch ongedaan gemaakt vanaf het ogenblik dat u een van uw woningen zelf betrekt (dat wordt dan uw ‘eigen woning’), of wanneer u de gekozen’ eigen woning’ verkoopt: dan wordt de andere woning automatisch uw ‘eigen woning’ of, als u er nog meerdere heeft, moet u opnieuw kiezen.

  1. Wat is mijn ‘eigen woning’, kan ik die vrij kiezen?

Neen. De Bijzondere Financieringswet bepaalt de regels: de eigen woning is de woning waarin u zelf woont. Woont u in verschillende woningen, dan is het die woning waar uw fiscaal domicilie is gevestigd (dus waar u wordt belast).

  1. Kan ik de voordelen voor een ‘eigen woning’ krijgen voor meer dan één woning?

Neen. U kunt altijd maar één ‘eigen woning’ hebben. Eenmaal vaststaat wat uw ‘eigen woning’ is, zijn de overige woningen dan ‘andere woningen’ die onder het federale stelsel vallen. U kunt bij een verhuis natuurlijk altijd een andere woning als ‘eigen woning’ krijgen.
Echtgenoten die samen worden belast, kunnen ook maar één ‘eigen woning’ hebben en die is voor beiden dezelfde.

Kortom: u kunt in elk geval hoogstens één woning hebben die de ‘eigen woning’ is.

  1. Kan ik een ‘eigen woning’ hebben waar ik zelf niet woon en waarvoor ik de gewestelijke belastingvoordelen kan krijgen?

Ja, dat kan. De Bijzondere Financieringswet bepaalt dat dit omwille van vier redenen mogelijk is:

  1. om sociale redenen (bv.: mijn eigendom is een appartementje en ondertussen heb ik 6 kinderen)
  2. om beroepsredenen (bv.: ik moet elders gaan wonen omwille van mijn werkgever)
  3. omdat de woning nog in aanbouw is
  4. omdat er wettelijke of contractuele belemmeringen zijn om de woning zelf te betrekken (bv.: er woont nog een huurder in waarvan het huurcontract wel is opgezegd maar nog niet ten einde is)

Besluit :

U merkt het, de fiscale gevolgen van de zesde staatshervorming zullen er duidelijk niet eenvoudiger op worden.  Allicht zullen we op termijn verder geïnformeerd worden met de nodige circulaires.  De kans op fouten, en dit met alle gevolgen vandien, zal nog verder toenemen.  En de ganse fiscaliteit inzake het onroerend goed was , eufemistisch gesteld, al niet eenvoudig …

Kortom het invullen van de aangifte personenbelasting en de bijhorende berekening maken wordt een moeilijke taak.  Voor velen zal er mogelijk niet veel veranderen, maar voor anderen zal dit wel een ander verhaal zijn.  Beroep doen op bv een boekhouder zal voor deze categorie dan ook geen overbodige luxe zijn …

Hierbij dienen we nog hetvolgende op te merken.

De zogenaamde woonbonus in combinatie met de gewone intrestaftrek kan een voordeel opleveren wanneer de hypothecaire inschrijving geoptimaliseerd wordt.

Voorbeeld :

Optimalisatie aftrek EEW bij bedrijfsleiders (2014)

Alain is eigenaar van zijn enige en eigen woning.  M.a.w. de woonbonus is geen probleem.

Het kadastraal inkomen van deze woning bedraagt 2.000 euro

30% van deze woning wordt verhuurd aan de vennootschap waarvan Alain bedrijfsleider is.  De huur bedraagt  4.230 euro (= 5/3 x 30% x 2.000 x 4,23)

Alain ontleende een bedrag van 100.000 euro op 20 jaar

In 2014 betaalt Alain aan de bank : kapitaal 3.188 euro en intrest 4.500 euro

 

Geval 1 :  het ganse bedrag (100.000 euro) hypothecair werd ingeschreven

Aftrek enige eigen woning bedraagt dan :

Kapitaal 3.188 + intrest 3.150 (70% x 4.500) = 6.338 euro

Met een maximum van 2.280 + 760 = 3.040 euro

De gewone intrestaftrek t.b.v. het onroerend inkomen bedraagt dan :

Onroerend inkomen = 4.230 – 2/3 x 4,23 x 600 = 4.230 – 1.692 = 2.538 euro

Intrestaftrek = 4.500 euro x 30% = 1.350 euro

= Netto ONROEREND INKOMEN. = 2.538 – 1.350 = 1.188 euro

 

Geval 2 : het bedrag van 100.000 euro wordt maar gedeeltelijke hypothecair ingeschreven, nl voor 40.000 euro

Aftrek enige eigen woning bedraagt dan :

Kapitaal 1.275 + intrest 1.800  = 3.075 euro

Met een maximum van  2.280 + 760 = 3.040 euro

De gewone intrestaftrek t.b.v. het onroerend inkomen bedraagt dan :

OI = 4.230 – 2/3 x 4,23 x 600 = 4.230 – 1.692 = 2.538 euro

Intrestaftrek : 2.700 euro (60% x 4.500)

= Netto ONROEREND INKOMEN = 2.538 – 2.700 (beperkt tot 2.538) = 0 euro

Besluit : door de hypothecaire inschrijving te beperken wordt de personenbelasting op het onroerend inkomen geoptimaliseerd.  Bijkomend zullen de bijhorende hypotheekkosten ook lager uitvallen.

MAAR … opgelet met de 6de staatshervorming

De fiscaliteit wat de hypothecaire lening van uw eigen woning betreft is een regionale bevoegdheid en niet langer een federale bevoegdheid.  Het gevolg is dat de aftrek van de intresten die betrekking hebben op de eigen woning, niet in mindering kunnen gebracht worden van andere onroerende goederen.  Ook niet op het gedeelte dat van uw eigen woning verhuurd wordt (hier 30% door Alain aan zijn vennootschap).  Kortom het gedeelte van de eigen woning dat voor de beroepsactiviteit gebruikt wordt of dat verhuurd wordt , is voortaan fiscaal geen ‘eigen woning’ meer.  De aflossing van de lening zal voortaan dan ook moeten gesplitst worden in een gewestelijk en een federaal gedeelte.  Hou er ook rekening mee dat het begrip ‘eigen woning’ voortaan ook van dag tot dag wordt beoordeeld.

M.a.w. de optimalisatie voor Alain kan in de toekomst niet meer.  Wel werd er in een uitzondering voorzien voor leningen die lopen van vóór 1 januari 2015.  Dus Alain hoeft zich uiteindelijk dan toch  geen zorgen te maken.

Wanneer u echter volgend jaar een hypothecaire lening afsluit dan dient u er wel degelijk rekening mee te houden.

Wie had nu weer gezegd dat de fiscaliteit in België zou vereenvoudigd worden ?  Of hebben wij dit verkeerd begrepen ?