1. Is het feit geleefd te hebben indicie?

Een veelvuldig voorkomende taxatie is gebaseerd op de vaststelling dat een belastingplichtige noodzakelijk uitgaven dient te verrichten om zich in leven te kunnen houden. Wanneer deze vaststelling een volledig logische conclusie is, bestaat de moeilijkheid erin aan te tonen welke kosten een belastingplichtige heeft moeten dragen om te leven en vooral in het bewijs dat hij deze kosten dan inderdaad daadwerkelijk heeft gedaan.

Het feit geleefd te hebben is  geen indicie op zichzelf. Het enkele feit dat men inkomsten moet hebben om in leven te blijven, zonder verdere motiveringen  of aanbrengen van  elementen, is niet voldoende voor de administratie om een indicaire aanslag te weerhouden . Het Hof van Cassatie bepaalde dienaangaande: 

"Overwegende dat de gezinsuitgaven een indicie opleveren van het bestaan van de inkomsten door middel waarvan zij gedaan worden en aldus, eventueel met andere feitelijke gegevens, als grondslag  kunnen dienen voor de raming van de belastbare grondslag volgens  tekenen en indiciën, overeenkomstig art. 247 W.I.B.92  "

Zelfs indien het duidelijk is en het onbetwistbaar vaststaat dat elke mens minimaal moet eten en drinken om leven te kunnen blijven, kan uit deze vaststelling niet afgeleid worden welke bedragen precies  een persoon besteedt aan dergelijke primaire levensbehoeften. 

2.   Moet het gaan om reële uitgaven of om geraamde uitgaven? 

Het lijkt  onmogelijk met enige zekerheid  vast te stellen welke uitgaven besteed worden aan huisvesting, verwarming, verlichting, kleding, vrije tijd, enz… Dergelijke uitgaven zijn zo relatief en aan de persoon zelf gebonden dat zij niet kunnen gekend zijn, dan wanneer er concrete bewijsstukken van bestaan.

Gezinsuitgaven kunnen dus als indicie worden aangewend op voorwaarde dat hun bestaan bewezen is. Vermits een indiciaire afrekening een vergelijking is tussen de twee financiële stromen van inkomsten en uitgaven, moet buiten het bestaan van de indicie nog bewezen worden dat deze uitgave zich financieel heeft voorgedaan in de indiciaire periode . Wanneer de administratie bijvoorbeeld onder de uitgaven van levensonderhoud  telefoonkosten zou willen aanrekenen, is het niet voldoende dat zij de factuur van de provider voorlegt, maar moet ze verder aantonen dat deze factuur in het betrokken belastbaar tijdwerk daadwerkelijk betaald werd.  Het bestaan van een factuur bewijst immers niet dat deze factuur ook betaald is, laat staan dat ze bewijst wanneer deze betaald werd.  Bovendien lijkt het ons aanvechtbaar dat de belastingplichtige het onmogelijk negatief bewijs zou moeten leveren dat hij de telefoonfactuur niet betaald heeft. Het lijkt ons eerder aangewezen dat de administratie bewijzen van betaling naar voor brengt, bijvoorbeeld op grond van een verklaring van de provider of op grond van een antwoord van de betrokken op een vraag om inlichtingen. Zo oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen dat het opnemen van  een bedrag aan verzekeringen, TV, vrije tijd en vakantie als te verantwoorden uitgaven in de vermogensafrekening zonder deze uitgaven te bewijzen, geen grondslag kan vormen om hierop een geldig vermoeden te steunen .

Sommige rechtspraak zal zich dan ook nauwgezet houden aan het bewijs van bekende feiten en het werkelijk bewijs van de uitgave vorderen. Andere rechtspraak zal de oplossing zoeken in het toestaan van ramingen die op concrete feiten berusten,  of die als redelijk en niet overdreven aanvaard worden zonder dat de hoegrootheid van de bedragen en de werkelijkheid van de uitgave zelf bewezen moet worden.