Over de gewijzigde fiscale regels is al behoorlijk wat gezegd en geschreven. Het zal zeker niet de laatste keer zijn. Het lijkt ons evenwel zinvol om een kort overzicht te maken van wat er nu zoal beslist is en wat op korte termijn mag verwacht worden (programmawet).

De notionele interestaftrek

Het tarief van de notionele intrestaftrek wordt voortaan beperkt tot 3%. KMO’s krijgen 0,5% bijkomend. Dit wijzigt niet.

Wat wel zal wijzigen is dat de overdracht van notionele intrestaftrek naar de toekomst niet langer mogelijk is. Voor de stock vanuit het verleden zal wel in een overgangsperiode voorzien worden

Deze overdraagbaarheid wordt beperkt tot 60 % van de belastbare basis die meer bedraagt dan 1.000.000 euro. Het resterende saldo gaat niet verloren maar blijft wel overdraagbaar naar het volgende tijdperk en dit zonder toepassing van de termijn van zeven jaar.

De roerende voorheffing

De roerende voorheffing werd verhoogd. Het tarief van 15% roerende voorheffing is afgeschaft. Weliswaar met enkele uitzonderingen :

° de laatste staatsbon (zogenaamde Leterme-lening)

° de intrest op een depositorekening dat de 1830 euro overschrijdt

° de roerende voorheffing op de liquidatiebonus blijft ook 10%.

Wel is er een nieuwe bijkomende heffing van 4% in het leven geroepen. Deze is enkel van toepassing in de PB (niet in de BNI en in de vennootschapsbelasting).

Vanaf 20.020 euro roerende inkomsten per partner wordt er 4% extra heffing aangerekend.

Dit op alle intresten en dividenden, wel NIET op :

° belastbaar gedeelte depositorekening

° liquidatiebonus 

°RI die reeds onderhevig zijn aan 25% 

° intrest op recente staatsbon

Het voordeel in natura voor bedrijfsleiders (uitzondering bedrijfswagens)

Bedrijfsleiders die een huis ter beschikking krijgen van hun vennootschap worden voortaan zwaarder belast. Zowel op het gebruik van de woning an sich als op het voordeel mbt de elektriciteit en de verwarming.

Het forfait van het voordeel voor gratis verwarming en elektriciteit voor de bedrijfsleiders wordt opgetrokken tot 1.820 euro per jaar voor de verwarming en tot 910 euro per jaar voor de elektriciteit.

Let wel deze worden voortaan ook geïndexeerd.

De coëfficiënt die wordt gebruikt om het belastbare voordeel voor de gratis woning vast te leggen, wordt vermeerderd van 2 tot 3,8. Dit voor de gebouwen met een kadastraal inkomen hoger dan 745 euro (niet geïndexeerd).

De belasting op meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting

Meerwaarden op aandelen zullen blijvend worden vrijgesteld, maar dit op voorwaarde dat de aandelen ten minste één jaar in het bezit werden gehouden door de vennootschap. Zo niet wordt de meerwaarde belast aan een tarief van 25,75 %. Ook komt er een einde aan de discussie of de meerwaardevrijstelling ook van toepassing is op het vruchtgebruik van een aandeel. Voortaan zal de vrijstelling enkel gelden wanneer de vennootschap de aandelen ten minste één jaar in volle eigendom gehad heeft.

De bedrijfswagens

De voordelen van alle aard voor de gratis terbeschikkingstelling van bedrijfsvoertuigen worden berekend op de cataloguswaarde en de CO²-uitstoot van de voertuigen, volgens de volgende formule: Voordeel alle aard = cataloguswaarde * % (CO²-coëfficiënt) * 6/7.

Onder cataloguswaarde wordt begrepen (zowel voor nieuwe als tweedhandswagens) de gefactureerde waarde met inbegrip van de werkelijk betaalde BTW en opties, zonder rekening te houden met de kortingen, verminderingen, afslagen en ristorno’s.

De basis-CO²-coëfficiënt bedraagt 5,5% voor een CO²-uitstoot van:

° 95 g/km voor de dieselvoertuigen 

° 115 g/km voor de benzinevoertuigen.

Wanneer de uitstoot hoger ligt dan deze referentie-uitstoot wordt de CO²-coëfficiënt met 0,1% per CO²-gram verhoogd, met een maximum van 18%.

Wanneer de uitstoot lager ligt dan de referentie wordt dat percentage met 0,1% per CO²-gram verminderd, met een minimumpercentage van 4%.

Het bepaalde voordeel mag nooit lager liggen dan te indexeren 1.200 euro (waarde 2012) per jaar.

Aan de hierboven vermelde berekeningsregel wordt voortaan nog een ouderdomscoëfficiënt toegevoegd. M.a.w. na 12 maanden daalt het voordeel jaarlijks met 6% per jaar tot een limiet van 70%. Of in een tabel verwoord, dient het berekende voordeel zoals hierboven vermeld nog te worden vermenigvuldigd met het volgende percentage : :

Van 0 tot 12 maanden : 100%

Van 13 tot 24 maanden : 94%

Van 25 tot 36 maanden : 88%

Van 37 tot 48 maanden : 82%

Van 49 tot 60 maanden : 76%

Vanaf 61 maanden : 70%

(*) een begonnen maand wordt voor een volle maand geteld.

De formule wordt dus :

voordeel alle aard = cataloguswaarde * % (CO²-coëfficiënt) * 6/7 * ouderdomscoëfficiënt

Voor de vennootschap zal een bedrag gelijk aan 17 % van het berekend voordeel van alle aard bij de vennootschap bijkomend moeten worden opgenomen in de verworpen uitgaven.

Hou er wel rekening mee dat mogelijk er hier ook nog wat zal wijzigen.

De pensioenopbouw via de vennootschap

Aanvankelijk dienden de individuele pensioentoezeggingen voor de zelfstandige bedrijfsleiders worden uitbesteed (geëxternaliseerd) aan een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds. Deze zullen niet meer kunnen worden opgebouwd via een interne pensioenvoorziening. Bestaande voorzieningen dienden geëxternaliseerd te worden uiterlijk na drie jaar (taks van 1,75%). Dit verdwijnt.

Maar deze bestaande interne pensioenvoorzieningen zullen dan toch niet moeten worden geëxternaliseerd. Nieuwe pensioenvoorzieningen en verhogingen van bestaande interne pensioenprovisies zullen vanaf 2012 wel extern moeten worden opgebouwd (bij een verzekeraar of bij een pensioenfonds).

De eindtaxatie op pensioenkapitalen opgebouwd door vennootschapsbijdragen (of werkgeversbijdragen) wordt ook verhoogd. Van 16,5% naar 20% bij een pensionering op 60 jaar, naar 18% bij een pensionering op 61 jaar, bij een pensionering van 62 tot 64 jaar blijft het tarief 16,5 % en bij een pensioenering op 65 jaar blijft het tarief evenzeer 10 %.

Aandelenopties

Het belastbaar bedrag van het voordeel nav het gratis toekennen van aandelenopties wordt voortaan verhoogd van 15 % naar 18 % van de waarde die de aandelen waarop de optie betrekking heeft.

In sommige gevallen wordt het tarief gehalveerd tot 7,5 % maar ook dit terief wordt verhoogd naar 9 %.

De 0,5% extra blijft ongewijzigd.

Sommige fiscale aftrekken in de personenbelasting

In plaats van de verbeterde gemiddelde aanslagvoet zal het pensioensparen (910 euro) en het lange termijnsparen (2.200 euro) voortaan nog maar een vermindering kennen van 30%. De aftrek enige eigen woning, giften en kinderopvangkosten zullen nog maar aftrekbaar zijn tbv 45%.

Vanaf aanslagjaar 2013 wordt de belastingvermindering voor alle energiebesparende uitgaven afgeschaft met uitzondering van één uitgave nl die voor dakisolatie. Let wel de aftrek is niet langer 40%, maar wel 30%. Ook wat de intrest van de groene leningen van de vorige jaren betreft.

De vernieuwde 'thin capitalisation'-regeling

Ons wetboek inkomstenbelasting kende reeds een regel voor het bestrijden van onderkapitalisatie. Dit voor leningen verstrekt vanuit landen met een merkelijk gunstiger belastingregime (7/1 schuldgraadverhouding).

In de nieuwe regeling (programmawet) wordt een algemene 5/1 schuldgraadverhouding ingevoerd. Dit betekent concreet dat de interest op het gedeelte dat de 5/1-verhouding van de financiering overschrijdt voortaan niet langer fiscaal aftrekbaar zou zijn. Let wel deze thin-capregeling is enkel van toepassing op intragroepsfinancieringen dus niet op verstrekte leningen door bv banken. Ook worden sommige sectoren uitgesloten van deze nieuwe beperking (roerende leasingmaatschappijen).  

De ant-rechtsmisbruikbepaling nieuwe stijl (art 344 §1 WIB 1992)

De nieuwe regel wordt de volgende :

"Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1. een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek [WIB/W.Reg.R/W.SuccR] of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten] buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

2. een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek [WIB/W.Reg.R/W.SuccR of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten] en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van [inkomstenbelastingen/registratierechten/successierechten]. Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden."

Deze nieuwe regel creëert veel vragen. Het mag duidelijk zijn dat we terug vertrokken zijn voor enkele jaren onzekerheid. In 1993, bij het invoeren van de vorige regel, was dit niet anders.

De toekomst zal uitwijzen wat hieronder zoal begrepen wordt, maar over één ding kan niet gediscuteerd worden. De fiscus heeft een belangrijk wapen in handen gekregen. De vraag is wanneer zij dit zal aanwenden.