De nieuwe berekeningswijze van de sociale zekerheidsbijdragen zelfstandigen

Vanaf 2015 worden de bijdragen sociale zekerheid niet langer berekend op het beroepsinkomen van het derde voorafgaande jaar, maar wel  op het beroepsinkomen van het jaar zelf. Voor 2015 betekent dit dat er eerst voorlopige bijdragen dienen te worden betaald, geschat op het beroepsinkomen van 2012. In 2017 zal deze toestand geregulariseerd worden.

Kortom, de zelfstandige zal nog altijd voorlopige bijdragen dienen te betalen (en dit berekend op basis van het beroepsinkomen van drie jaar voorheen) maar  deze voorlopige bijdragen zullen na twee jaar worden geregulariseerd (en dit berekend op basis van het werkelijk beroepsinkomen). Een teveel betaald bedrag aan sociale bijdragen zal dan ook worden terugbetaald.

Let wel dat er een regeling werd voorzien voor wie een aanzienlijke daling ondervindt van zijn beroepsinkomen. In die gevallen (binnen vastgelegde normen) kan er een lagere berekening gevraagd worden. Hierop gaan we niet in. Dit is een korte samenvatting van de wijzigingen.

Maar wat betekent dit voor 2014, voor wie nog in 2014 een vennootschap opricht ?

Bij de oprichting van een vennootschap komen de stopzettingsmeerwaarden om de hoek kijken. Enerzijds hebben we de meerwaarden op materiële vaste activa. Deze worden belast aan 16,5% (+ gemeentebelasting). En anderzijds hebben we de meerwaarden op immateriële activa (o.a. goodwill). Deze worden belast aan een afzonderlijk tarief van 33% of 16,5% (indien gedwongen stopzetting of stopzetting vanaf 60 jaar) voor zover ze niet méér bedragen dan de totale belastbare nettowinst of -baten van de stopgezette beroepswerkzaamheid behaald gedurende de vier jaar die aan het jaar van de stopzetting voorafgaan.

Hierop zijn in principe nog sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. In de ‘oude’ regeling is het zo dat er nog sociale zekerheidsbijdragen dienen te worden betaald binnen drie jaar op deze goodwill en materieel. Ook wanneer de bezoldiging (die uit de vennootschap gehaald wordt) in 2014 laag is (vaak is dit maar 36.000 euro). We zitten immers met de driejarige periode in de tijd terug. Maar dit laatste wijzigt. Wie zulk een meerwaarde realiseert, zal hierop later geen sociale bijdragen meer dienen te betalen vanaf 2015. Mogelijk wel een voorlopige bijdrage maar deze zal later terugbetaald worden.

Tot en met dit jaar worden dus de sociale zekerheidsbijdragen berekend op basis van het netto beroepsinkomen van het derde voorgaande jaar (voor 2014 is dit het netto beroepsinkomen van 2011). Vanaf 2015 echter worden de bijdragen berekend op basis van het beroepsinkomen van het jaar zelf. Voor 2015 is dit dus het beroepsinkomen van 2015 zelf. Dit betekent concreet dat de beroepsinkomens van 2012, 2013 en 2014 nooit in rekening zullen worden gebracht voor de berekening van de definitieve sociale zekerheidsbijdragen. Neemt het beroepsinkomen van 2014 toe (door middel van de meerwaarde op de goodwill, maar dit kan ook voor bestaande vennootschappen een loonsverhoging zijn) dan heeft dit geen nadelige impact op de definitief te betalen sociale zekerheidsbijdragen. Wel wat de voorlopige bijdrage betreft, maar deze toestand wordt later geregulariseerd met een terugbetaling tot gevolg.

Kortom, wie van een hoger beroepsinkomen (in principe onderhevig aan de sociale zekerheidsbijdragen) geniet in 2014 zal hierop geen sociale bijdrage extra dienen te betalen. Misschien hét moment om dit jaar de vennootschap op te richten …

Graag brengen we de volgende circulaires in herinnering. De terugbetaalde sociale zekerheidsbijdragen zijn niet altijd belastbaar (zie randnummer 5, eerste circulaire (die de tweede vervangen heeft)) …

« Circulaire nr. Ci.RH.241/597.673 (AOIF 29/2010) dd. 02.04.2010

Belastingstelsel van terugbetalingen van sociale bijdragen aan beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

1. Tot dusver stelden de administratieve onderrichtingen dat de aan bedrijfsleiders en aan beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden terugbetaalde sociale bijdragen (andere dan de matigingsbijdragen) die in een vorig belastbaar tijdperk terecht als beroepskosten zijn afgetrokken, in mindering worden gebracht van de sociale bijdragen die betaald zijn in het jaar waarin de terugbetaling plaatsheeft. Deze terugbetalingen zijn, in de mate dat zij de in het jaar betaalde sociale bijdragen overtreffen, niet belastbaar. Ter zake kan verwezen worden naar punt B, 2 van de administratieve circulaire Ci.RH.241/430.225 van 27 mei 1992.

2. Voormelde gunstige regeling leidt in een aantal gevallen evenwel tot een oneigenlijk gebruik. Zo werd er onder meer vastgesteld dat sommige beginnende zelfstandigen tijdens de eerste drie jaren van onderwerping aan het sociaal statuut van zelfstandigen verzoeken om de tijdens die periode normaal verschuldigde “voorlopige bijdragen” te vervangen door “vrijwillige bijdragen” die op veel hogere en dikwijls volledig fictieve beroepsinkomsten zijn gebaseerd. Nadat deze overdreven vrijwillige bijdragen als beroepskosten in mindering werden gebracht, worden ze bij het jaar van regularisatie door het sociaal verzekeringsfonds grotendeels teruggestort en overtreffen ze meestal de tijdens dat jaar verschuldigde sociale bijdragen.

Volgens de Rechtbanken van Eerste aanleg te Brussel en Luik kunnen dergelijke overdreven vrijwillige bijdragen alleszins niet als aftrekbare sociale bijdragen in de zin van artikel 52, 7°, WIB 92, worden aangemerkt (Rb Brussel 5 mei 2004 en Rb Luik 26 april 2005).

3. Het is evenwel niet altijd evident om te bepalen in welke mate vrijwillige sociale bijdragen een overdreven karakter vertonen.

Naar aanleiding van een nieuw onderzoek van deze problematiek en gelet op de ruime draagwijdte van het woord “ontvangsten” in art. 27, tweede lid, 1°, WIB 92, is er daarom beslist dat, wat de beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden betreft, de terugbetalingen van sociale bijdragen tijdens de uitoefening van de beroepswerkzaamheid voor hun totaal bedrag moeten worden aangemerkt als baten van het jaar waarin de terugbetaling plaatsheeft en deze teruggave m.a.w. niet meer van de tijdens datzelfde jaar betaalde (en als beroepskost aftrekbare) sociale bijdragen in mindering mag worden gebracht.

De in art. 27, tweede lid, 1°, WIB 92, bedoelde ontvangsten omvatten immers alle geldsommen die aan de belastingplichtige zijn toegekend wegens handelingen behorende tot zijn beroepswerkzaamheid, waaronder ook de terugbetalingen van kosten, ongeacht de schuldenaar van die terugbetalingen.

4. In dezelfde zin zullen terugbetalingen van sociale bijdragen die plaatsvinden na de stopzetting van een zelfstandige beroepswerkzaamheid voortaan zowel voor de verkrijgers van winst als voor de verkrijgers van baten belastbaar zijn op grond van de artikelen 23, § 1, 3°, 28, eerste lid, 2° en 171, 5°, c, WIB 92.

5. Voor bedrijfsleiders blijven de in voormelde circulaire onder punt B, 2 opgenomen onderrichtingen voor bestuurders en werkende vennoten onverminderd van toepassing. Inzake de aftrekbaarheid van de door hen betaalde vrijwillige sociale bijdragen die een duidelijk overdreven karakter vertonen, wordt evenwel gewezen op het bepaalde onder nr. 2, tweede lid, hiervoor.

6. Deze circulaire is van toepassing op de vanaf 1 januari 2010 gedane teruggaven van (te veel gestorte) sociale bijdragen .

Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit d.d. :

J. VANHOUTTE
Directeur »

« Circulaire nr. Ci.RH.241/430.225 dd. 27.05.1992

Bull. nr. 718, pag. 1850

Belastingstelsel van terugbetalingen van sociale bijdragen van zelfstandigen.

De fiscale behandeling van terugbetalingen aan zelfstandigen van voorheen afgetrokken sociale bijdragen wordt als volgt vastgesteld :

A. MATIGINGSBIJDRAGEN

Overeenkomstig artikel 9 van het Koninklijk Besluit nr. 289 van 31.03.1984 houdende bepaalde tijdelijke maatregelen inzake matiging van de inkomsten van zelfstandigen en artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten van zelfstandigen zijn de terugbetalingen van matigingsbijdragen (met inbegrip van de moratoriuminteresten) aan te merken als beroepsinkomsten van het jaar van terugbetaling. Deze regel geldt zonder onderscheid voor alle belastingplichtigen bedoeld in artikel 20, 1°, 2°, b, en c, en 3° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB).

Terugbetalingen van matigingsbijdragen die plaatsvinden na de stopzetting van een zelfstandige beroepswerkzaamheid zijn in beginsel afzonderlijk belastbaar overeenkomstig de artikelen 20, 4°, 31, 2° en 93, § 1, 3°, c, WIB

B. ANDERE SOCIALE BIJDRAGEN

1. Wat exploitanten van een nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf betreft 

Deze terugbetalingen die plaatsvinden na de stopzetting van de beroepswerkzaamheid zijn overigens belastbaar op grond van de artikelen 20, 4, 31, 2° en 93, § 1, 3°, c, WIB

2. Wat bestuurders, werkende vennoten of beoefenaars van vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden betreft. 

De aan deze belastingplichtigen terugbetaalde sociale bijdragen die in een vorig belastbaar tijdperk terecht als beroepskosten zijn afgetrokken, moeten in mindering worden gebracht van de sociale bijdragen die betaald zijn in het jaar waarin de terugbetaling plaatsheeft.

 

Deze terugbetalingen zijn, in de mate dat zij de in het jaar betaalde sociale bijdragen overtreffen, niet belastbaar. »



Bekijk ook deze artikels uit de categorie Belastingen.

Bekijk ook deze artikels uit de categorie Belastingen Tip.