De liquidatie van een vennootschap is een onderwerp dat vandaag vaak ter sprake komt.  Niet verwonderlijk, vermits de roerende voorheffing zal toenemen vanaf 1 oktober 2014.  Het tarief van 10% stijgt dan tot 25%.  Dit kan tellen qua belastingverhoging nl een verhoging met 150% !

Maar er werd door de wetgever in een overgangsregeling voorzien.  Hierover hebben we reeds vroeger een artikel gebracht.  In detail gaan we hierop niet in.  Samengevat, moet men het kapitaal van de vennootschap verhogen met het bedrag van de belaste reserves zoals deze uiterlijk op 31 maart 2013 goedgekeurd werden door de algemene vergadering.  De timing moet echter goed in de gaten gehouden worden.  Deze transactie kost nu 10% roerende voorheffing.  De latere kapitaalsverlaging zal dan belastingvrij plaats vinden, als men maar tijd van wachten heeft :

Tarief               KMO                                                               Grote onderneming (GO)

15%                 Tijdens jaar 1 en jaar 2 na de incorporatie          Tijdens jaar 1 t.e.m. jaar 4  na de incorporatie

10%                 Tijdens jaar 3 na de incorporatie                       Tijdens jaar 5 en 6 na de incorporatie

5%                   Tijdens jaar 4 na de incorporatie                       Tijdens jaar 7 en 8 na de incorporatie

Maar wat nu met iemand die nog (bv) twee jaar beroepsactief wil zijn ?

Er zijn een aantal opties :

  1. Nu liquideren ?

Dit is een optie maar dit heeft natuurlijk een aantal gevolgen.  Nog twee jaar verder werken als natuurlijk persoon ?  Dit is mogelijk maar zal fiscaal een kost teweeg brengen (personenbelasting).

Een nieuwe vennootschap oprichten ?  Voor twee jaar is dit enerzijds wel bijzonder kort en anderzijds zal er hier moeten opgelet worden met simulatie of fiscaal misbruik.

Het spreekt ook voor zich dat alle activa dienen overgedragen te worden aan een correcte prijs.  Vermoedelijk zal dit een fiscale kost vertegenwoordigen in de vennootschapsbelasting wanneer deze activa afgeschreven zijn door de verkopende vennootschap.

  1. 2.    Kiezen voor de overgangsregeling ?

Dit is mogelijk doch de vennootschap zal niet kunnen vereffend worden na twee jaar.  Men zal nog enige tijd de vennootschap moeten aanhouden (zie overzicht hierboven).

  1. 3.    Niets doen ?

Niets doen en nog twee jaar verder werken met de vennootschap betekent dat er sowieso 25% roerende voorheffing dient betaald te worden wanneer de vennootschap vereffend wordt (na 1 oktober 2014).  M.a.w. zeker geen oplossing.

We zouden echter willen dat we nog twee jaar met de vennootschap kunnen verder werken en na twee jaar deze vennootschap liquideren zonder dat we met de roerende voorheffing van 25% geconfronteerd worden.  Kortom kunnen we het taruef van 10% roerende voorheffing vandaag reeds veilig stellen zonder te liquideren of het kapitaal te verhogen ?

Is dit wel mogelijk ?

Hierover kan een aardig woordje over gediscuteerd worden.  De techniek is de volgende.  Wanneer de vennootschap vereffend wordt zal een vereffenaar de schuldeisers van de vennootschap vergoeden.  Om dit te realiseren zal hij moeten overgaan tot de verkoop van de activa.  Wanneer alle schuldeisers vergoed zijn (maw alle schulden zijn aangezuiverd) zal de zogenaamde liquidatiebonus uitgekeerd worden aan de vennoten/aandeelhouders.  Maar de vereffenaar hoeft niet zolang te wachten.  Hij kan immers een voorschot op de liquidatiebonus uitkeren (weliswaar op zijn verantwoordelijkheid).  Dit houdt voor de vereffenaar een risico in want wanneer later zou blijken dat er teveel uitgekeerd werd (als voorschot) dan zal de vereffenaar dit moeten trachten terug te vorderen.

Maar hoe zit dat nu met de roerende voorheffing ?  Op de uitkering van het voorschot zal (tot 1 oktober 2014) 10% roerende voorheffing ingehouden worden.  Maar is dit wel definitief ?  M.a.w. wanneer de vennootschap na 1 oktober 2014 vereffend wordt , komt dan de 10% roerende voorheffing, op het reeds uitgekeerde voorschot, in het gedrang ?

Eenvoudige vraag, maar het antwoord is dat zeker niet.

Om hierop een antwoord te kunnen formuleren bekijken we art 267 WIB 1992 dat het heeft over de ‘opeisbaarhed van de  voorheffing.  Hierin wordt het volgende gezegd :

Artikel 267 WIB 1992 :

“De toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten, in geld of in natura, brengt de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede. (…)”

En met ‘toekenning of betaalbaarstelling’ wordt, aldus gezaghebbende rechtsleer, bedoeld dat de genieter definitief en onherroepelijk over deze  ontvangen sommen moet kunnen beschikken.  Of anders gezegd er moet een definitieve eigendomsoverdracht hebben plaats gevonden.  De mogelijkheid  daarentegen waarbij er een terugvordering kan plaats vinden, strookt hier niet mee.  Want zoals vermeld bestaat de kans dat deze dienen terugbetaald te worden wanneer het netto-actief onvoldoende is om de schulden te delgen.  De vennoten/aandeelhouders kunnen pas definitief en onherroepelijk over de voorschotten beschikken op het moment van het sluiten van de vereffening van de vennootschap.  .Bijkomend resulteert dit in het feit dat (conform art 267 WIB 1992) de roerende voorheffing pas dan verschuldigd is nl wanneer het voorschot definitief verworven is.  Dit betekent dan ook dat op dat moment het tarief van de roerende voorheffing bepaald wordt.  En dat zal dan ook geen 10% maar (ondertussen) 25% bedragen.

Dit is de theoretische onderbouw.  Maar weet dat de rechtsleer verdeeld is.

Maar wat blijkt de fiscus ziet het (gelukkig) anders en trekt de kaart van die rechtsleer die stelt dat er wel een toekenning is die maakt dat de roerende voorheffing wel reeds verschuldigd is. (o.b.v. art 209 WIB 1992).  Er bestaat een ruling die goed nieuws is voor de belastingplichtige.

Voorafgaande beslissing nr. 800.245 dd. 16.09.2008

“Roerende voorheffing

Dividend

Verdeling van het maatschappelijk vermogen

Vennootschap in vereffening

Toekenning of betaalbaarstelling van inkomsten

Aanslagvoet van de RV

Samenvatting

De toekenning boven het gestort kapitaal aan de aandeelhouder-natuurlijke-persoon tijdens de vereffeningsperiode van een substantieel deel van het netto-actief van een in vereffening gestelde vennootschap, waarvan de vereffening nog niet is afgesloten, kwalificeert als een toekenning of betaalbaarstelling van inkomsten in de zin van de artikelen 18, 2°ter, 261, eerste lid, 1° en 267, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92), met als gevolg dat overeenkomstig artikel 269, eerste lid, 2°bis WIB 92 bij de effectieve toekenning en niettegenstaande het feit dat de vereffening nog niet definitief is afgesloten, een bevrijdende voorheffing in de zin van artikel 313 WIB 92 dient te worden ingehouden van 10 %.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de toekenning aan de aandeelhouder-natuurlijke-persoon tijdens de vereffeningsperiode van een substantieel deel van het netto-actief van een in vereffening gestelde vennootschap, waarvan de vereffening nog niet is afgesloten, wel degelijk kwalificeert als een toekenning of betaalbaarstelling van inkomsten in de zin van de artikelen 18, 2°ter, 261, eerste lid, 1° en 267, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92), met als gevolg dat overeenkomstig artikel 269, eerste lid, 2°bis, WIB 92 bij de effectieve toekenning en niettegenstaande het feit dat de vereffening nog niet definitief is afgesloten, een bevrijdende voorheffing in de zin van artikel 313 WIB 92 dient te worden ingehouden van 10%.

II. Beslissing

2. De vennootschap bvba X wenst over te gaan tot een substantiële uitkering van het liquidatiesaldo tijdens de vereffeningsperiode.

3. Zowel artikel 18, 2°ter, WIB 92, dat het ontvangen dividend belastbaar stelt ten name van de genieter, als artikel 269, 2°bis, WIB 92, dat de roerende voorheffing op liquidatieboni instelt, verwijzen naar “uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in de artikelen 186, 187 en 209 in geval van gehele […] verdeling van een binnenlandse of buitenlandse vennootschap”.

4. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 209, WIB 92 wordt bij verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ten gevolge van ontbinding, als een uitgekeerd dividend aangemerkt het positieve verschil tussen de uitkeringen in geld, in effecten of in enige andere vorm, en (de gerevaloriseerde waarde van) het gestort kapitaal. In geval van een trapsgewijze verdeling van het vermogen van een vennootschap, wordt bij elke verdeling, die het verschil overtreft tussen het gestort kapitaal en de vroeger uitgekeerde sommen, een dividend geacht te zijn uitgekeerd. De kwalificatie als dividend geldt bijgevolg ook voor de uitkering van een voorschot als effectieve toekenning op de eindverdeling ten name van de in vereffening gestelde vennootschap bvba X. Op de vermelde uitkering is de bvba X de roerende voorheffing verschuldigd krachtens artikel 261, eerste lid, 1°, WIB 92.

5. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 267, eerste lid, WIB 92 brengt de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten, in geld of in natura, de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede. De aanvrager heeft bevestigd dat de vereffenaar zal overgaan tot een effectieve toekenning van de inkomsten aan de aandeelhouder-natuurlijke persoon.

6. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 269, eerste lid, 2°bis, WIB 92 is de aanslagvoet van de roerende voorheffing vastgesteld op 10% voor uitkeringen die worden aangemerkt als dividenden in artikel 209 WIB 92 in geval van verdeling van het maatschappelijk vermogen van een binnenlandse vennootschap. Ten name van de aandeelhouder-natuurlijke persoon maakt zulks een bevrijdende voorheffing uit in de zin van artikel 313 WIB 92.

7. Elke verdeling (als voorschot dan wel bij de eindverdeling) die aangemerkt kan worden als een dividend in de zin van artikel 209 WIB 92 waarbij inkomsten effectief ter beschikking worden gesteld aan de aandeelhouder maakt de roerende voorheffing opeisbaar.”

Kortom de rulingcommissie stelt met zoveel woorden dat de 10% roerende voorheffing voor haar wel OK is.  M.a.w. zij stelt samengevat, dat de uitbetaling van een voorschot op de liquidatiebonus door de vereffenaar wel als een definitieve toekenning of betaalbaarstelling kan aanzien worden en dit vóór het sluiten van de vereffening van de vennootschap.

Ook wordt dit standpunt nog eens bevestigd in de circulaire nr. Ci.RH.421/609.850 (AAFisc 30/2011) dd. 01.06.2011 : waar de volgende zin te lezen is : “De vennootschap in vereffening zal gehouden zijn tot het inhouden en het storten van de eventueel verschuldigde roerende voorheffing, evenals in alle gevallen tot het in-dienen van een aangifte in de roerende voorheffing.”

Deze circulaire bespreekt het advies CBN 2010/22 “Boekingswijze van een voorschot op de verdeling van het netto-actief”: commentaar op bepaalde van zijn eventuele gevolgen op het fiscaal vlak.

Maar ook daar kan de bevestiging van het administratieve standpunt in terug gevonden worden.

Besluit

Wanneer we gezaghebbende rechtsleer erop nalezen dan is het vastklikken van het tarief van 10% roerende voorheffing geen 100% zekerheid wanneer we een voorschot opnemen en dit vóór het sluiten van de vereffening van de vennootschap.

De rulingcommissie daarentegen ziet het anders en ziet er geen graten is.

Is zulk een ruling dan ook zomaar van toepassing voor uw dossier ?  Het antwoord is ‘neen’.  Een ruling wordt immers toegekend aan een welbepaalde belastingplichtige voor een specifieke handeling.  M.a.w. deze zomaar copiëren van het ene naar het andere dossier is niet zonder risico.

De volgende parlementaire vraag stelt dit op de volgende manier :

“Vraag nr. 314 van de heer Arens dd. 25.03.2011

Vr. en Antw., Kamer, 2010-2011, nr. 028, blz. 36-38

Precedentverwerking van een voorafgaande beslissing – DVB

VRAAG

Een recent artikel in Fiscoloog heeft mijn aandacht getrokken (Fiscoloog, nr. 1242 van 16 maart 2011) omdat het, aan de hand van een concreet geval, ingaat op de precedentwerking van voorafgaande beslissingen.

In een circulaire van 2006 behandelde de administratie de toepassing van de successierechten op levensverzekeringen gesloten door echtgenoten gehuwd onder een stelsel van gemeenschap van goederen (circ. nr. 16/2006 van 31 juli 2006). Die circulaire werd in 2009 min of meer doorkruist door een ruling (voorafgaande beslissing nr. 800.279 van 26 mei 2009). In een (niet gepubliceerde) interne instructie van 14 februari 2011 roept de centrale administratie al haar gewestelijke directies nu op deze ruling naast zich neer te leggen. Naast haar inhoudelijke belang, legt deze instructie ook meer algemeen de heel relatieve bindende kracht en precedentwerking van rulings bloot.

De administratie verduidelijkt in haar interne instructie van 14 februari 2011 inderdaad dat de voormelde ruling een onafhankelijke beslissing van de Dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (DVB) is, die echter indruist tegen het standpunt van de administratie. En ze voegt er nog fijntjes aan toe dat zij door de DVB werd gepolst en die dienst haar standpunt meedeelde (namelijk dat er successierechten verschuldigd zijn op de helft van de afkoopwaarde). Met betrekking tot andere gelijksoortige of zelfs identieke dossiers roept de administratie haar gewestelijke directies op de ruling straal te negeren (met een boodschap in de zin van “men zegge het voort aan alle controleurs”). Vreemd toch, als men bedenkt dat de DVB zelf deel uitmaakt van de FOD Financiën.

In haar instructie stelt de administratie dat de ruling van 2009 moet worden gerespecteerd in het betrokken concrete dossier. Ze zegt er echter meteen bij dat zij niet verplicht is die voorafgaande beslissing “in andere gevallen” te volgen. Een ruling heeft geen algemene draagwijdte, want het juridisch bindende karakter ervan blijft beperkt tot de individueel gestelde vraag, aldus nog de administratie, die zich ter zake baseert op haar eigen circulaire nr. 15/1995, punt 26.

De vraag is of het wel klopt dat een ruling, met betrekking tot andere gelijksoortige of zelfs identieke situaties, generlei bindende kracht of precedentwerking heeft ten aanzien van de administratie zelf en de rechters. De rechtspraak zelf is hierover verdeeld (arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 6 september 2005 en van het hof van beroep te Gent van 8 april 2008, die beide worden aangehaald in E. Van de Velde, Afspraken met de fiscus, Larcier, 2009, randnr. 498; vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 3 november 2010).

In het voormelde boek (Afspraken met de fiscus) gaat de auteur uitgebreid op deze problematiek in, en komt zij tot het besluit dat de belastingplichtige zich moet kunnen beroepen op individuele beslissingen van de DVB, althans voor zover zij kenbaar zijn en de belastingplichtige “in staat is de vergelijkbaarheid van zijn situatie met die van een ander (die de rulingaanvraag heeft ingediend) aan te tonen”. En de auteur vervolgt: “Dat fiscale ‘afspraken’ individueel zijn en daarom niet zouden kunnen worden ingeroepen door derden, moet juist worden begrepen: de interne gevolgen zijn individueel, maar het bestaan en de inhoud ervan kunnen ook door derden worden ingeroepen” (ibid., randnr. 691).

1. a) Bent u van mening dat een voorafgaande beslissing, met betrekking tot andere gelijksoortige of zelfs identieke situaties, generlei bindende kracht of precedentwerking heeft ten aanzien van de administratie zelf en de rechters?

b) Bent u het eens met de stelling van mevrouw Van de Velde?

2. Kunt u hieromtrent, met het oog op een grotere rechtszekerheid voor de belastingplichtigen, een gedetailleerd antwoord bezorgen?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 29.04.2011)

Een voorafgaande beslissing is een juridische handeling waarmee de Dienst Voorafgaande Beslissingen, overeenkomstig de geldende bepalingen, bepaalt hoe de wet van toepassing zal zijn op een specifieke situatie of verrichting die op fiscaal vlak nog geen gevolgen heeft teweeggebracht.

De beslissing bindt de hele Federale Overheidsdienst Financiën voor het specifieke geval dat het voorwerp van de beslissing is, maar bindt de FOD Financiën niet buiten dit geval onder voorbehoud dat de gelijke behandeling van de belastingplichtigen en het beginsel van gewettigd vertrouwen worden nageleefd.

Er kan een parallel worden getrokken met de gerechtelijke beslissingen die, omdat ze eveneens over een specifiek geval gaan, enkel gezag hebben onder partijen. Dat is wat het gezag van gewijsde wordt genoemd. Geen enkele andere rechter is dus verplicht om de oplossing over te nemen die een van zijn collega’s aannam. Laatstgenoemde is vrij te beslissen naar wat hem het beste lijkt op grond van de feiten die hem worden voorgelegd. Dat neemt niet weg dat wanneer een groot aantal gerechtelijke beslissingen in dezelfde zin worden genomen, zich een zogenaamde courante rechtspraak begint af te tekenen, die de weerspiegeling is van een bepaald type interpretatie, van een specifieke rechtsvraag.

Gelet op het voorgaande is het dus beter om in elk specifiek geval een verzoek tot voorafgaande beslissing in te dienen.”

Kortom wie absolute zekerheid wenst doet er goed aan zelf een rulingaanvraag in te dienen.  Maar de vraag is nog maar of dit geen bijkomend risico inhoudt want de timing is niet zo heel lang (+/- een jaar).  Het risico bestaat immers dat het antwoord te laat komt (afhankelijk van het indienen en het verder verloop van de rulingaanvraag).

Weliswaar mogen we het standpunt in de circulaire ook niet zomaar vergeten.  Dit biedt meer garantie dan de ruling (conform de beginselen van behoorlijk bestuur).

Kortom wenst u 100% zekerheid en absoluut geen problemen dan mogen de andere vermelde opties zeker niet zomaar van tafel gevaagd worden (liquidatie of overgangsregeling) en verdienen ze zeker een kans.

Iven De Hoon

 

Gelden Onttrekken Aan De Vennootschap – Editie 2017

15 praktische mogelijkheden om gelden te onttrekken aan de vennootschap begrijpelijk uitgelegd in dit boek van 78 pagina’s.

Gratis Inkijkexemplaar