Een burgerlijke maatschap wordt dikwijls als vehikel gebruikt om een familiaal vermogen te beheren. Daardoor kunnen de ouders het vermogen op een fiscaal vriendelijke manier overlaten aan hun kinderen, doch kunnen zij er wel voor zorgen dat zij alleen dat vermogen nog beheren. Meestal bestaat het vermogen uitsluitend uit roerende goederen: geld, spaar- of termijnrekeningen, obligaties, (familiale) aandelen … .  Maar het is ook mogelijk dat onroerende goederen in de maatschap ingebracht worden. Een recente administratieve beslissing vertelt hoeveel dat nu juist kost. 

Algemeen principe.

Het inbrengrecht is verschuldigd ongeacht of er sprake is van eigendomsoverdracht. Dat geldt even zeer voor een inbreng in een vennootschap. Bijgevolg zijn er dus registratierechten verschuldigd op elke inbreng. Maar … het tarief bedaagt sinds enige jaren 0 (nul!) procent. Er moeten dus geen evenredige registratierechten betaald worden bij de inbreng van roerende goederen zoals geld, obligaties, aandelen … , of onroerende goederen zoals een bouwgrond of andere eigendommen die niet voor bewoning zijn bestemd of aangewend bv. handelshuis, industrieel complex. 

Uitzondering voor “woning”.

De inbreng van een onroerend goed dat voor bewoning is bestemd of aangewend wordt voor de registratierechten niet als een inbreng beschouwd, maar wordt belast als een verkoop. Het is voldoende dat een gedeelte van het pand als woning kan of wordt gebruikt. In principe bedragen de registratierechten 10% in Vlaanderen en 12,5% in Brussel en Wallonië. Dan wordt dit al vlug een dure zaak, maar misschien is er een oplossing. Het verkooprecht is enkel verschuldigd als er sprake is van een eigendomsoverdracht. Indien het aandeel van elke deelgenoot in het onroerend goed gelijk is aan ieders aandeel in de burgerlijke maatschap zijn er toch geen registratierechten verschuldigd.  

Administratieve beslissing.

In dat voorbeeld brengen ouders en  kinderen een villa en een bouwgrond in een burgerlijke maatschap. Het aandeel van elke persoon in de onroerende goederen komt overeen met het aandeel in de maatschap. Het verkooprecht op de villa is niet verschuldigd aangezien er geen sprake is van een eigendomsoverdracht nl. ieders deel blijft gelijk. Ook het inbrengrecht op de villa is nooit verschuldigd omdat het registratiewetboek wegens de aard van het goed (voor bewoning aangewend) en de persoon van de inbrenger (natuurlijke persoon) dit uitdrukkelijk uitsluit. Het inbrengrecht op de bouwgrond is wel verschuldigd en bedroeg toen 0,5%. Door een wetswijziging, in voege getreden op 1 januari 2006, zou ook dat niet langer moeten betaald worden, want het inbrengrecht is thans 0%. 

Vereffening maatschap.

Voor het registratiewetboek wordt een maatschap als een gewone onverdeeldheid beschouwd. Bijgevolg moeten ook die regels toegepast worden, en dat kan soms een dure aangelegenheid worden. Indien iemand door de inbreng mede-eigenaar wordt van een onroerend goed, en dat onroerend goed later aan hem toebedeeld wordt, dan wordt hij aanzien als “een derde verkrijger door overeenkomst”. Dit wil zeggen dat hij op de bij verkregen parten het verkooprecht (10 of 12,5%) zal moeten betalen. (Besl. 25 mei 2007 ref. nr. E.E./101.003 – Rep. R. J. R.115bis.06.01)