De afschrijvingen en gebruikskosten van een sauna en een zwembad zijn geen aftrekbare beroepskosten van een doktersvennootschap aangezien zij geen betrekking hebben op de uitoefening van de gynaecologie, en zij dan ook niet het gevolg kunnen zijn van het maatschappelijk doel.  Het feit dat er een voordeel van alle aard werd aangerekend doet hieraan geen afbreuk (Rb. Brugge, 9 april 2008).  

Een doktersvennootschap  is voor 85 % eigenaar van een onroerend goed, dat ten dele beroepsmatig wordt aangewend, en voor het andere deel als woning van de zaakvoerster en haar gezin dient.  Bij een controle in juli 2002 stelde de administratie vast dat de vennootschap in de periode 1999 tot 2001 had geïnvesteerd in een sauna en een zwembad. De afschrijvingen op deze investeringen werden verworpen, samen met een aantal meerkosten van electriciteit , verwarming  en water.

De administratie argumenteerde dat de bouw van een sauna en zwembad niet kadert in het maatschappelijk doel van de vennootschap, en derhalve aan de verworpen uitgaven dienen te worden toegevoegd.  Nadat ook de gewestelijke directeur het standpunt van de taxatiediensten had bevestigd, legde de vennootschap het dossier voor aan de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.   

Ook voor de rechtbank onderstreepte de administratie dat alle kosten met betrekking tot het zwembad en de sauna geen aftrekbare beroepskosten waren aangezien zij geen verband hielden met het maatschappelijk doel van de vennootschap.  De belastingplichtige weigerde deze zienswijze te onderschrijven. Zij oordeelde dat door te stellen dat enkel kosten die noodzakelijkerwijze verband houden met het maatschappelijk doel van de vennootschap aftrekbare beroepskosten zijn een schending van artikel 49 WIB 92 tot gevolge heeft, alsmede van het artikel 1 Wetboek van Vennootschappen en het in artikel 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. 

Op grond van artikel 49 WIB 92 zijn alle tijdens het belastbaar tijdperk gedragen of betaalde kosten, die gedragen of betaald werden om belastbare inkomsten te verwerven en waarvan de echtheid en het bedrag wordt aangetoond, aftrekbare beroepskosten.  Een uitgave wordt geacht te zijn gedragen of gedaan indien ofwel de kost in het belastbaar tijdperk werd betaald of gedragen ofwel het karakter van een zekere of vaststaande schuld of verlies heeft gekregen, en ook op die wijze werd geboekt. 

De rechter volgt deze zienswijze niet.

Uit het feit dat een vennootschap opgericht is met het oog op een winstgevende activiteit kan aldus de rechter niet afgeleid worden dat hieruit automatisch voortvloeit dat al haar uitgaven kunnen afgetrokken worden van haar brutowinst.  Hierbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 12 december 2003 (Cass., 12 december 2003, www.cass.be en F.J.F., N° 2004/ 131) en waarin het hof stelde dat uitgaven van een vennootschap slechts kunnen worden aangemerkt als aftrekbare beroepskosten wanneer zij inherent zijn aan de uitoefening van het beroep, d.w.z. wanneer zij in noodzakelijk verband staan met het de  maatschappelijke activiteit van de vennootschap.  

Het maatschappelijk doel van eiseres had als doel: de uitoefening van de geneeskunde, meer specifiek de gynaecologie. Zij mag tevens alle verrichtingen ondernemen van onroerende, roerende of financiële aard, die rechtstreeks met haar doel verwant of verkocht zijn of de verwezenlijking ervan kunnen bevorderen.  Volgens de rechtbank is het oorzakelijk verband tussen de kwestieuze kosten met betrekking tot de sauna en het zwembad en het medisch doel van de vennootschap niet  bewezen, en zijn de kosten derhalve niet aftrekbaar op grond van artikel 49 WIB 92.  Het aanleggen van een zwembad en sauna kan niet worden aangenomen als betrekking hebbende op de praktijk van de gynaecologie, en zijn dan ook geen gevolg van haar statutair doel. De rechter ontkent dat de stelling van de administratie een voorwaarde toevoegt aan artikel 49 WIB 92. 

Artikel 1 van het Wetboek van Vennootschappen omschrijft een vennootschap als een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met het doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk om aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Er is evenmin sprake van een schending van artikel 1 Wetboek van Vennootschappen. Uit dit artikel blijkt immers dat het oogmerk om de vennoten een vermogensvoordeel te verschaffen moet kaderen in het doel, zijnde de maatschappelijke activiteit. 

De rechter weerhoudt evenmin een schending van artikel 6 WIB 92.  Het WIB bevat immers geen enkele bepaling die stelt dat de kosten slechts aftrekbaar zijn op voorwaarde dat de overeenkomstige inkomsten belast worden. Het eventueel later belasten van de huurinkomsten belet geenszins dat de kosten verworpen worden. 

Volgens de rechter is er evenmin sprake van een  schending van het gelijkheids- en het non discriminatiebeginsel. Er kan immers slechts sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer vergelijkbare toestanden op een verschillende wijze worden behandeld.  Kosten en inkomsten zijn echter geen vergelijkbare toestanden zodat ten onrechte een beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel wordt ingeroepen.

 

De vennootschap riep in laatste orde de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in. In de daaraan voorafgaande jaren waren er blijkbaar geen opmerkingen geformuleerd omtrent de geboekte afschrijvingen en uitgaven. Ook op dit punt wordt de belastingplichtige afgewezen.  Hoewel de rechter geenszins ontkent dat  de beginselen van behoorlijk bestuur ook in fiscale zaken toepasselijk kunnen zijn, schaart hij zich achter de rechtspraak van het hof van cassatie dat de beginsel van behoorlijk bestuur geen onbeperkt recht is en onder omstandigheden moet wijken voor het legaliteitsbeginsel (in die zin: Cass., 3 november 2000, T.F.R., 2001, 161). 

Het feit dat de fiscus in de vorige jaren de kosten niet betwist heeft, impliceert geenszins dat de administratie er zich voor de volgende jaren toe verbonden heeft dat alle activiteiten van de vennootschap te beschouwen zijn als zijnde gedaan om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden. Op grond van het annaliteitsbeginsel mogen de taxatiediensten bovendien de al dan niet verkeerde toepassing van de wet herzien. 

Ook het feit dat de vennootschap jaarlijks een voordeel van alle aard aangaf voor het  gratis ter beschikking stellen van de woning kan de rechter niet op andere gedachten brengen.  Dit heeft immers totaal geen uitstaans met de vraag of de kosten al dan niet aftrekbaar zijn als beroepskosten. 

Dit vonnis sluit volledig aan bij de motivering in een ander recent vonnis van dezelfde rechtbank (Rb. Brugge, 12  november 2007, www.fisconet.fgov.be).

Die casus had betrekking op de kosten van het vruchtgebruik op een appartement te Koksijde die een doktersvennootschap had gekocht, terwijl de naakte eigendom was verworven door de geneesheer privé.  Ook in die zaak werd de beweerde schending van artikel 1 Wetboek van Vennootschappen, artikel 6 WIB 92 en  het gelijkheidsbeginsel ingeroepen, alsmede de samenloop van de artikelen 26 en 49 WIB 92.  In een gelijkaardige casus had het Hof te Antwerpen in 2006 toepassing gemaakt van artikel 26 WIB 92  (Antwerpen, 31 oktober 2006, F.J.F., N° 2007/164).

Het hof stelde dat het belasten van het voordeel van alle aard wegens het gratis terbeschikking stellen van een appartement (waarvan een rechtspersoon het vruchtgebruik had) de niet-aftrekbaarheid in hoofde van de verstrekker van het voordeel uitsluit.  In casu was het voordeel bepaald conform de regels van artikel 18 KB WIB 92.  In de casus voor de rechtbank te Brugge was blijkbaar niet aangetoond dat de enige vennoot van de doktersvennootschap effectief werd belast op een voordeel van alle aard. Ten tijde van de aankoop was het gebouw immers nog in oprichting. 

Maar ook het principe van de voorrang van artikel 26 WIB 92 op artikel 49 WIB 92 bij overdreven beroepskosten wordt niet bijgetreden door de rechtbank te Brugge.  Indien voorrang zou worden gegeven aan artikel 26 WIB 92 zou dit aldus de rechter  tot gevolg hebben dat in principe elke kosten aftrekbaar zou zijn, waardoor artikel 49 WIB 92 volledig zou uitgehold worden. Hieruit leidde de rechter af dat de aftrekbaarheid van de kosten van het vruchtgebruik niet kan worden bekomen op grond van artikel 26 WIB 92.

Beide vonnissen bewijzen nogmaals het cruciaal belang van een zo ruim mogelijk maatschappelijk doel. Voor sommige vrijberoepvennootschappen (zoals voor dokters) verzetten de ordes zich evenwel tegen de opname van andere activiteiten dan deze die eigen zijn aan het beroep. 

Hierbij stippen we aan dat in 2002 het Hof van Beroep te Gent de afschrijvingen en onderhoudskosten wel aanvaardde voor een vennootschap nadat het vastgesteld had dat de kosten in oorzakelijk verband stonden met het maatschappelijk doel. In casu betrof het een vennootschap waarvan het maatschappelijk doel onder meer bestond uit het aankopen en verkopen van onroerende goederen (Gent, 4 december 2002, F.J.F., N° 2003/ 157 en www.fisconet.fgov.be).

 
Bron: Rb. Brugge, 9 april 2008