Net zoals voor managementvergoedingen moet ook bij bestuurdersbezoldiging de echtheid en het bedrag aangetoond worden teneinde ze als  beroepskosten te kunnen aftrekken (PV nr. 979 Daems van 11 juli 1997 en PV nr. 1209 Gehlen van 28 januari 1998, Fisc.Koer., 1998, 553). Ook bestuurdersbezoldigingen worden geregeld aangewend om vergoedingen of tantièmes uit te keren, waardoor de facto een vorm van fiscale consolidatie ontstaat.  

De verantwoording kan gebeuren door middel van bewijsstukken, of als dat onmogelijk is, door alle toegelaten bewijsmiddelen.   Het ontbreken van een gedetailleerde factuur belet volgens het hof van beroep te Brussel  echter niet dat de betaalde vergoeding niet aftrekbaar is als beroepskost (Brussel, 1 oktober 2008).  De zaak had betrekking op een naamloze vennootschap die drie bestuurders had, waaronder een bvba, die een rusthuis uitbaatte. De bvba was gelast met het dagelijks bestuur in haar hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder. Voor ajr.1998 ontving de gedelegeerd bestuurder een bestuurdersvergoeding, waarvan de taxatiediensten de aftrek als beroepskost weigerde op grond  van een samenlezing van de artikelen 32 en 195 WIB 92.   Zij argumenteerde dat op grond van artikel 195 WIB 92 niet kan afgeleid worden dat de vergoeding  automatisch aftrekbaar is als beroepskost. 

Deze zienswijze gaf de afgelopen jaren geregeld aanleiding tot betwistingen. Het Hof van Beroep te Gent besliste in 2002 dat het voor bestuurdersbezoldigingen niet noodzakelijk zou zijn deze te toetsen aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92 vermits uit artikel 195 WIB 92 volgt dat aan rechtspersonen betaalde bestuurdersbezoldigingen steeds aftrekbaar zijn krachtens artikel 195 WIB 92 (Gent, 26 februari 2002, Fisc.Koer., 2002, 305).  Enkele jaren vroeger bevestigde ook de Minister van Financiën deze zienswijze door te verklaren dat alles wat aan werkende vennoten of bestuurders als bezoldiging wordt betaald, ook na afsluiting van het boekjaar aftrekbaar is als beroepskosten (Parl.St., Kamer, 1989-90, nr. 1206/5, 74, in dezelfde zin: Circulaire Ci.D 19/416.334 van 28 augustus 1990, Bull.Bel., nr.698, 2629).

De rechtspraak was echter opmerkelijk strenger door wel degelijk te verwijzen naar de in artikel 49 WIB 92 geformuleerde aftrekvoorwaarden (Antwerpen, 11 april 1989, F.J.F., N° 89/ 176; Antwerpen, 18 mei 1999, Fisc. Koer., 1999, 595; Antwerpen, 22 juni 1999, Fisc.Koer., 1999, 521; Brussel, 15 september 2000, T.F.R., nr. 2001/2 en Luik,, 26 april 2002, F.J.F., N° 2000/284).   Sedert de gewijzigde redactie van artikel 195 WIB 92, krachtens hetwelk dat de uitdrukkelijke vermelding dat de aan bestuurders betaalde vergoedingen aftrekbaar zijn geldt enkel nog voor bestuurders-natuurlijke personen, werd de rechtspraak unaniem afwijzend (o.m. Rb. Antwerpen, 2 mei 2003, Fisc. Koer., 2003, 544 en Rb. Brussel, 9 april 2004, RAGB, 2004, 1124).

Deze betwisting kwam voor het hof te Brussel niet aan de orde. De aanvankelijke aanslag werd om niet nader toegelichte redenen vernietigd, zodat de administratie de taxatieprocedure heropstartte.  In de hertaxatieprocedure verwierp de administratie de vergoeding op grond van het niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 49 WIB 92.  De administratie benadrukte dat:
• de kosten noodzakelijk moeten verband houden met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid
• ze moeten tijdens het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen zijn
• ze moeten gedaan of gedragen zijn met het oogmerk om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden
• de echtheid en het bedrag moet verantwoord worden (COM IB (1992), nr. 49/11).

De eerste voorwaarde komt in deze casus niet aan de orde, terwijl de tweede voorwaarde vervuld is.  Het cruciale element in deze casus was dat niet het bewijs werd geleverd dat de gedelegeerd bestuurder (de bvba) effectief prestaties heeft geleverd.  Volgens de fiscus impliceert de derde voorwaarde immers dat er werkelijk prestaties worden geleverd (contra: Bergen, 30 juni 2006, Fisc.Act., 2006, afl.32, 1).
De vennootschap waarin het mandaat werd uitgeoefend verwees aanvankelijk naar een beslissing van de raad van bestuur die de vergoeding goedkeurde, en de verwijzing naar de overschrijvingsformulieren. De eerste rechter oordeelde dat zulks niet volstaat als bewijs, en eiste uitdrukkelijk gedetailleerde facturen aangezien beide contractanten handelsvennootschappen waren.  Deze inbreuk op een regel van openbare orde volstaat om de aftrek als beroepskost te verwerpen.

Het Hof volgt deze zienswijze niet op dit punt.  Uit het controleverslag van de taxatiediensten bleek dat het personeel van het rusthuis slechts bestond uit één verpleegster en zeven arbeiders (hulpverplegers, kok en technisch personeel).  Uit dit personeelsbestand leidt het hof dat er niemand was die het dagelijks bestuur waarnam.  Zo bleek duidelijk dat niemand van het gewone personeel  de administratie, het PR gebeuren, het toezicht op de werking en onderhoud van de installaties) die deel uitmaken van het dagelijks bestuur waarnam. Ook uit het feit dat de gedelegeerd bestuurder niet over een eigen infrastuctuur beschikt kan de fictie van de prestaties niet afgeleid worden.  Volgens het hof is het gebruikelijk dat de bestuurdersprestaties uitgeoefend worden op de maatschappelijke zetel van de vennootschap met het materiaal en de infrastructuur die aldaar aanwezig is.

Het hof onderstreept dat de prestaties van de gedelegeerd bestuurder duidelijk tot doel hebben inkomsten te behouden of te verwerven. Kortom, de in artikel 49 WIB 92 geformuleerde voorwaarden zijn vervuld.

Geregeld wordt in soortgelijke dossiers ook terug gegrepen naar de regel krachtens hetwelk de administratie zich niet mag inlaten met het beleid, inzonderheid de bezoldigingspolitiek aangezien zulks een verboden opportuniteitsbeoordeling zou inhouden (Brussel, 8 december 1995, JDF, 1997, 160; Antwerpen, 21 december 1999, F.J.F, N° 2000/192; Brussel, 7 januari 2000, Fisc.Act., 2000, afl.9, 2 en Gent, 10 februari 2000, Fisc.Koer., 2000, 243).

De zienswijze van het hof, meer bepaald het niet vereist zijn van een factuur kan worden bijgetreden. De loutere beslissing van het bevoegde orgaan, in casu de raad van bestuur (voor de gedelegeerd bestuurder) of de algemene vergadering (voor bestuurders of zaakvoerders) volstaat op zich. Er dient geen boekhoudkundig stuk worden opgemaakt, ook niet voor btw-doeleinden.  Terzake kan verwezen worden naar de beslissing ET 79581 van 27 januari 1984, BTW Revue, afl. 110, 1019-1020, nr. 995 en Vr. & Antw., Kamer, 1997-98, nr .111 blz. 15058).  Voor vennootschapsmandatarissen dient men zich dus te steunen op de concrete omstandigheden. Deze redenering kan echter niet ingeroepen voor bijvoorbeeld managementvergoedingen die aan niet-bestuurders worden toegekend.

Bron: Brussel, 1 oktober 2008