U kent ongetwijfeld het volgende probleem.  Uw vennootschap maakt winst.  Gelukkig, maar … Op deze winst dient uw vennootschap vennootschapsbelasting te betalen.  De volgende  vraag is echter wat zij met deze (belaste) winst gaat doen.  Beleggen in de vennootschap of net niet. Zoniet welke mogelijkheden zijn er om de winsten en ook de gelden aan de vennootschap te onttrekken. 

We proberen in deze bijdrage -de verschillen te analyseren.  We bekijken ook telkens enkele aandachtspunten.  U zal echter merken dat deze evident klinkende vraag helemaal niet zo vanzelfsprekend is te beantwoorden.   

Waarin beleggen ? 

Uw vennootschap heeft twee mogelijkheden.  Ofwel belegt zij bij de bankier ofwel verwacht ze meer heil in onroerend goed.  De gevolgen zijn immers in beide gevallen niet met mekaar vergelijkbaar.  Het beleggen in onroerend goed, maakt dat op termijn ook de fiscale gevolgen niet mogen vergeten worden.  Het nadeel van vastgoed manifesteert zich voornamelijk wanneer het onroerend goed de vennootschap verlaat.

Onroerend goed 

We sommen een aantal aandachtspunten op die in de beslissing van de aankoop van een onroerend goed door de vennootschap mee in overweging kunnen genomen worden.  Zowel de voordelen als de nadelen zullen tegen mekaar moeten afgewogen worden.   Voordelen : 

·      De vennootschap schrijft het gebouwd onroerend goed af.  De grond kan niet afgeschreven worden.  De aanschaffingskosten op de grond zijn echter wel aftrekbaar.  Het is belangrijk na te kijken of de vennootschap in onroerend goed kan investeren, m.a.w. kijk de statuten na.

·      De vennootschap kan alle mogelijke kosten van haar belastbare winst aftrekken , zoals bv. kosten voor onderhoud en herstellingen, de onroerende voorheffing, verzekeringspremies, enz.

·      Maakt u privé gebruik van het onroerend goed dan wordt u een belastbaar voordeel van alle aard aangerekend. Dit is veelal voordelig : K.I. (niet geïndexeerd) van de woning ≤  745 eurovoordeel van alle aard = K.I. x 1,4796(Aj 2009)  x 1,25 x 5/3K.I. (niet geïndexeerd) van de woning is groter dan 745 eurovoordeel van alle aard = K.I. x1,4796(Aj 2009) x 2 x 5/3

·      De intresten verbonden aan leningen zijn integraal aftrekbaar en dit niet enkel t.b.v. het onroerend inkomen zoals dit wel het geval is in de personenbelasting;

·      Latere successieplanning kan gebeuren via een schenking van de aandelen.

 Nadelen : 

·      De huurgelden die de vennootschap ontvangt, worden integraal bij haar belastbare winst gevoegd.  Dit is niet zo in de personenbelasting.

·      Als de vennootschap het onroerend goed later verkoopt dan zal in de regel een meerwaarde gerealiseerd worden.  Deze meerwaarde (= reële marktwaarde minus boekwaarde op moment van verkoop) wordt belast in de vennootschapsbelasting.  In de personenbelasting is de meerwaarde niet belastbaar of belastbaar aan een voordelig tarief.

·      Mocht men later de aandelen van de vennootschap verkopen, dan kan het onroerend goed, dat eigendom is van de vennootschap, dit bemoeilijken (art. 329 W.Venn (bvba) en art. 629 W.Venn (nv)).  Dit omwille van banktechnische problemen qua waarborgmogelijkheden bij het aanvragen van een krediet en van het verbod om als koper te mogen afschrijven op de aandelen (zie verder).

·      Indien niet vooraf een schenking is gebeurd van de aandelen zal de eindafrekening van de successierechten mogelijk hoger uitvallen (geen splitsing onroerende en roerende goederen).

·      De notionele intrestaftrek die de vennootschap geniet op haar (gecorrigeerd) eigen vermogen wordt negatief beïnvloed door een onroerend goed of een zakelijke recht waarvan de bedrijfsleider (bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar van de vennootschap) alsook zijn of haar echtgeno(o)t(e) of de niet-ontvoogde minderjarige kinderen van de hiervoor genoemde personen het gebruik hebben . 

·      De inbreng van een woning betekent 10 % registratierechten.

·      De recente vrijstelling voor het vererven van de gezinswoning door ‘partners’ is niet van toepassing bij het vererven van aandelen.

·      Beroepsaansprakelijkheid

·      Meerwaarde : een latere verkoop betekent meestal dat de vennootschap hierbij een meerwaarde realiseert.  Deze zal belast worden.

Voorbeeld ‘BVBA Vastgoed’ heeft in 2000 een onroerend goed (woning) verworven voor 250.000 EUR (200.000 gebouw + 50.000 grond) en zij schrijft het gebouw af over 33 jaar.  In 2010 wenst zij het gebouw te verkopen voor 447.000 EUR (gemiddelde waardestijging van 6% per jaar). 

           

Meerwaarde :

Boekwaarde :   50.000 + (200.000 x 70%) = 190.000  EUR

Verkoopprijs :  447.000 EUR

Meerwaarde

                                   447.000 – 190.000 = 257.000 EUR

 

Dit betekent een fiscale druk van 87.354 EUR vennootschapsbelasting.  De netto opbrengst is echter nog eigendom van de vennootschap.  Tip door te herinvesteren kan de meerwaarde gespreid belast worden.  Indien minimaal de 447.000 EUR wordt geherinvesteerd in bv. een ander afschrijfbaar onroerend goed over een periode van 33 jaar dan bedraagt de geactualiseerde vennootschapsbelasting (max. 33,99% aan een actualiseringsvoet van 5%) 41.937 EUR.  Een niet onaardige (geactualiseerde) besparing van 45.417 EUR (52%). 

Om aan de meerwaarde te verhelpen wordt dikwijls het vruchtgebruik als oplossing gehanteerd.  De vruchtgebruikconstructie vermijdt het ‘meerwaarde-probleem’ en doet een aantal zaken met mekaar verzoenen.  De vennootschap schrijft het vruchtgebruik af en de bijhorende kosten (zoals registratierechten, …) zijn fiscaal aftrekbaar.  Na de vastgelegde termijn van het vruchtgebruik (max. 30 jaar voor rechtspersonen) wordt de blote eigenaar, veelal de bedrijfsleider van de vennootschap, volle eigenaar.  Dit zonder registratierechten en in principe zonder enig gevolg wat de directe belastingen (personenbelasting en vennootschapsbelasting) betreft.

De Administratie gaat in de tegenaanval en tracht deze constructie te herkwalificeren in een huur.  Maar of een vruchtgebruik in een huur kan geherkwalificeerd worden, heeft al veel inkt doen vloeien.  Zowel de rechtsleer als de rechtspraak zijn afwijzend.

Ook de Rulingcommissie (Dienst Voorafgaande Beslissingen) heeft het moeilijk met de vruchtgebruikcostructie. Volgens deze dienst zijn  de te respecteren voorwaarden, om niet het risico te lopen dat het vruchtgebruik wordt geherkwalificeerd in een huur, de volgende :

1.                 Het vruchtgebruik moet door de vennootschap worden verkregen van een derde.  Een derde betekent hier niet : de aandeelhouder of de bedrijfsleider van de vennootschap.

2.                 De looptijd van het vruchtgebruik moet minstens 20 jaar bedragen.

3.                 Een belangrijk deel (circa 50%) van het onroerend goed dient aangewend te worden voor de eigenlijke activiteit van de onderneming.

4.                 Voor het gedeelte dat niet voor de eigenlijke activiteit van de onderneming wordt aangewend, dient een marktconforme huur betaald te worden op basis van een geregistreerde huurovereenkomst.  Een kosteloze terbeschikkingstelling aan de bedrijfsleider of een huur op basis van het forfaitair voordeel alle aard voor bewoning voldoet niet aan deze voorwaarde.

5.                 De eventuele kosten die aan het onroerend goed worden uitgevoerd, moeten verdeeld worden tussen de vruchtgebruiker en de blote eigenaar zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek. 

Bijkomend moet de waardering van het tijdelijk vruchtgebruik gebeuren voor haar werkelijke waarde en niet tegen de forfaitaire waarderingsmethode inzake registratierechten.  Of dit standpunt van de Rulingcommissie al dan niet correct is, zal de toekomst moeten uitwijzen.  

Zowel de voor- als de nadelen van het onderbrengen van het onroerend goed in een vennootschap moeten dus goed overwogen worden en dit niet enkel op korte termijn doch ook op lange(re) termijn.

Roerend goed 

Hier gaat de vennootschap haar winst niet in vastgoed beleggen maar wel bij de bankier.  Het is echter zo dat een opbrengst in de vennootschap belast wordt aan het tarief vennootschapsbelasting.  Een intrest, een meerwaarde op een obligatie, een dividenduitkering (behoudens uitzondering), … maken deel uit van de omzet van de vennootschap.  Een toename van de omzet zal ook in de winst merkbaar zijn waarna de factuur aan vennootschapsbelasting ook zal toenemen.

Hierop bestaat oa echter de volgende uitzondering.  Een vennootschap die een meerwaarde realiseert op een individueel aandeel hoeft zich geen zorgen te maken wat de vennootschapsbelasting hierop betreft.  De keerzijde is wel dat de minderwaarde op een individueel aandeel ook niet aftrekbaar is (behoudens uitzondering bij een vereffening).

 

Let wel op dat het belastingtarief voor de vennootschap mee bepaald wordt door de aandelenbeleggingen. 

  Tarieven vennootschapsbelasting :

Algmeen tarief VenB 33% 33,99% (*)
Verlaagd opklimmend tarief    
0 – 25.000 24,25% 24,98% (*)
25.000 – 90.000 31% 31,93% (*)
90.000 – 322.500 34,5% 35,54% (*)

(*) incl crisisbijdrage van 3%

 

Om dit verlaagd opklimmend tarief te genieten, moet de vennootschap aan een aantal voorwaarden voldoen.  Eén van deze voorwaarden is de volgende :

 “De volgende vennootschappen zijn uitgesloten van het verlaagd tarief :Vennootschappen die aandelen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50%, hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de aandelen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de aandelen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50% is overschreden, worden de aandelen die ten minste 75% vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen “ 

Dit betekent dat wanneer de vennootschap een eigen vermogen heeft van 150.000 euro maar zij heeft 100.000 euro in aandelen belegt, dan betekent dit haar belastbare winst niet belast wordt aan het verlaagd tarief maar wel aan 33,99%.  Het maximale nadeel betekent concreet 3.591,50 euro.

Aftrek voor risicokapitaal (gemeenzaam ‘de notionele intrestaftrek’ genoemd) 

Zowel wat een belegging in roerende goederen als onroerende goederen betreft is het noodzakelijk een woordje te vertellen over de notionele intrestaftrek. 

Een vennootschap die haar reserves belegt, wordt in principe belast op de opbrengst (huurinkomen of roerend inkomen) hiervan .  Niettegenstaande wordt de belastingdruk op deze opbrengst (deels) gecorrigeerd via de notionele intrestaftrek.

Wat houdt deze notionele intrestafrek in ? 

De notionele intrestaftrek betekent een fictieve intrestaftrek voor het eigen vermogen.   Vennootschappen met een (aanzienlijk) eigen vermogen zullen hierdoor een fiscale stimulans kennen.  Vennootschappen die kiezen voor het financieren via eigen vermogen zullen fiscaal niet langer benadeeld worden in vergelijking met vennootschappen die via vreemd vermogen financieren.  Komt de vennootschap in aanmerking voor het verlaagd tarief vennootschapsbelasting dan is het ook mogelijk dat deze vennootschap in aanmerking komt voor de investeringsreserve.Het gaat hier om een uiterst technische maatregel waar we in het bestek van deze tekst niet kunnen op ingaan maar die bijkomend advies zeker rechtvaardigt. Kort gesteld kan 50 % van de (aangepaste) belastbare winst vrijgesteld worden van vennootschapsbelasting met een maximum van 18.750 EUR. Hiervoor dient de vennootschap aan een aantal voorwaarden te voldoen en moet ze binnen de drie jaar investeren in nieuwe activa.  Wel is het zo dat wanneer de vennootschap in een belastbaar tijdperk opteert voor deze investeringsreserve, ze voor geen notionele intrestaftrek in aanmerking komt.  Dit voor dat belastbaar tijdperk alsmede voor de twee daarop volgende belastbare tijdperken.   

Hoeveel bedraagt deze aftrek ? 

De notionele interestaftrek bedraagt voor aanslagjaar 2009 4,307 %.  Voor de KMO’s wordt dit percentage met 0,5% verhoogd tot 4,807 %.  De definitie van een KMO-vennootschap vinden we terug in art. 15 W.Venn.

Een aftrek van het gehele eigen vermogen ? 

Neen, het eigen vermogen zal met een aantal zaken gecorrigeerd worden.  Dit zijn o.a. financieel vaste activa, een onroerend goed waar de bedrijfsleider in woont, kapitalisatie Sicav’s, DBI-beveks,…  Een vennootschap die over een onvoldoende belastbare basis beschikt om deze notionele interstaftrek te kunnen genieten, mag het verschil overdragen naar het volgende belastbare tijdperk gedurende maximaal zeven jaren volgend op het jaar van de aftrek.  

Wat is het belang van de notionele intrestaftrek in deze discussie ? Wanneer de opbrengst in de vennootschap niet meer is dan 4,807% van het eigen vermogen, dan wordt de opbrengst niet belast. Voorbeeld  

Het eigen vermogen van een vennootschap bedraagt 150.000 euro.  De te beleggen geldsom bedraagt 100.000 euro en brengt 4% intrest op.

 

            Beleggingsopbrengst :   4% x 100.000 euro = 4.000 euro

            Notionele intrestaftrek :            4,807% x 150.000 = 7.210 euro

Resultaat : de beleggingsopbrengst wordt (deels) geneutraliseerd door de fictieve intrestaftrek.

Wat op termijn ? 

Wie vandaag zijn vennootschap vereffent moet echter rekening houden met het feit dat de vereffening ook een belastingdruk inhoudt.  Op het liquidatiesaldo moet immers 10% roerende voorheffing betaald worden.

Het is m.a.w. ook belangrijk hiermee rekening te houden.

De gelden onttrekken ? 

Zo komen we tot de kern van de vraag.  Het alternatief voor de gelden te beleggen in de vennootschap is de gelden onttrekken aan de vennootschap d.m.v. een dividenduitkering.

 

Maar ook hier mogen we de fiscus niet vergeten.

 In principe bedraagt het tarief roerende voorheffing op een dividend 25 %.  Maar er bestaat ook een verlaagd tarief roerende voorheffing van 15 %. Dit verlaagd tarief is van toepassing op de dividenden van aandelen die vanaf 1 januari 1994 werden uitgegeven (verder bespreken we enkel die aandelen waar geen beroep werd gedaan op het openbaar spaarwezen). 

Wat is de totale kostprijs van een dividenduitkering ?

 

  VENB 33,99 %RV 25 % VENB 33,99 %RV 15 % VENB 24,98 %RV 25 % VENB 24,98 %RV 15 %
Winst voor VENB 100 100 100 100
VENBNetto winst 33,9966,01 33,9966,01 24,9875,02 24,9875,02
RVNetto dividend 16,5049,51 9,956,11 18,7656,26 11,2563,76
Globale belastingdruk 50,49 % 43,89 % 43,74 % 36,24 %

 Om het tarief van 15 % te kunnen genieten moeten we kijken naar een aantal voorwaarden. De eerste voorwaarden zijn  :         de aandelen zijn uitgegeven ter vergoeding van een inbreng in geld;         de aandelen mogen geen enkel toegekend voorrecht genieten;         de aandelen moeten vanaf hun uitgifte op naam staan of de aandelen moeten vanaf hun uitgifte gedeponeerd zijn in een dossier open bewaargeving bij een bank. Maar er dienen nog een aantal bijkomende voorwaarden in de gaten gehouden te worden.  Voorwaarden die dikwijls over het hoofd gezien worden. De vennootschap mag geen overname doen van ‘besmette’ activa van ‘besmette’ personen.   Deze ‘besmette’ activa zijn :         goederen die vóór 1 januari 1994 voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid werden gebruikt door de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt(de zogenaamde ‘besmette’ personen).         aandelen die die deel hebben uitgemaakt van het privaat vermogen (opgelet hier werd geen periode bepaald) van de aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot van de vennootschap die de overdracht verkrijgt         goederen die voor 1 januari 1994 hebben toebehoord aan een vennootschap waar de overdrager aandeelhouder, bestuurder, zaakvoerder of vennoot was. Concreet betekent dit dat wanneer een natuurlijk persoon in 1995 een BVBA oprichtte met een inbreng in geld, de verlaagde roerende voorheffing niet in aanmerking komt, wanneer wanneer er een quasi-inbreng toegepast werd van activa die door hem reeds voor 1 januari 1994 beroepsmatig werden aangewend.   

Maar een dividenduitkering heeft ook een aantal andere fiscale gevolgen. Door een dividenduitkering daalt het eigen vermogen van de vennootschap.  Deze daling geeft fiscaal een aantal niet onbelangrijke gevolgen : 

1)Financiële vennootschap en het verlaagd tarief VENB + de notionele intrestaftrek Een vennootschap verliest het verlaagd tarief wanneer de vennootschap aandelen bezit waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden.  Dit hebben we hierboven reeds vermeld.  Wanneer de vennootschap een dividenduitkering realiseert, dan verlaagt deze grens van de helft van het eigen vermogen.   Hierdoor verspeelt de vennootschap mogelijk het verlaagd tarief nu en in de toekomst, tenzij een deel van de aandelenportefeuille mee verdwijnt.  Vermits de notionele intrestaftrek berekend wordt op het (gecorrigeerd) eigen vermogen zal ook hier een dividenduitkering een impact hebben. 

2)Dividenduitkering en het verlaagd tarief VENB Vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 % van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk, verliezen evenzeer het verlaagd tarief.  Dit betekent echter niet dat naar de toekomst het verlaagd tarief niet meer zou kunnen genoten worden.  Een planning in de dividenduitkeringen is dan ook van belang. Het kan ook een optie zijn om het jaar van de dividenduitkering te laten samenvallen met het jaar dat de vennootschap extra kosten heeft (vb groepsverzekering, vooruitbetaling van de huur, … ).

3) Voorafbetalingen belastingenMet ingang van aanslagjaar 2004 is er een vrijstelling van belastingvermeerdering ingeval van geen of onvoldoende voorafbetalingen van toepassing, voor die vennootschappen die onderworpen zijn aan het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting.

Deze vrijstelling is beperkt in de tijd van toepassing, n.l. op de eerste drie boekjaren vanaf de oprichting van de vennootschap.

  

Wat nu te verkiezen ? 

De vraag is belangrijk te weten wat men met de vennootschap op termijn wil bereiken.

 

Hierbij trachten we enkele voorbeelden te geven die in een bepaald strategie kunnen resulteren.

 

onroerend goed : u overweegt de aankoop van een appartement aan zee

Stel u hebt geen kinderen en geen partner.  Enkel een petekind dat u dit appartement via een testament wil nalaten.  Door uw appartment aan zee aan te kopen via uw vennootschap, hebt u de mogelijkheid later de aandelen aan 7% weg te schenken aan dit kind.  Zoniet zal het kind op het appartement behoorlijk wat successierechten moeten betalen.

 

Voorbeeld :     appartement heeft een waarde van 750.000 euro bij uw overlijden.

                        Successierechten : 467.500 euro (62%)

Door de aandelen weg te schenken aan 7% bedraagt de kostprijs 52.500 euro.

 

Maar wanneer u daarentegen wel een partner hebt (die u alles nalaat) en het appartement aan zee is de gezinswoning dan bedragen de successierechten 0 euro.

 roerend goed

Bedraagt de roerende voorheffing op een dividenduitkering uit uw vennootschap 15% en het rendement op de belegging bedraagt zowel privé als in de vennootschap 6% en het zal op een liquidatie van de vennootschap uitdraaien (binnen 10 jaar) , dan is een dividenduitkering inderdaad zeker te overwegen.

 

Bedraagt de roerende voorheffing echter 25% en de liquidatie is reeds binnen bv. drie jaar te verwachten, dan zal een dividenduitkering vandaag geen zin hebben.

 

Besluit  

Het fiscaal advies om de vennootschap al dan niet aan te wenden als spaarpot blijft echter een moeilijk te beantwoorden vraag.  Veel factoren zijn belangrijk.  Ook heeft de gemaaakte keuze niet zelden een impact op een aantal andere zaken.  Het blijft dus een moeilijke evenwichtsoefening.   Ook zijn er een aantal niet fiscale argumenten die de keuze kan beïnvloeden.  Privé vermogen is beschermd tegen bedrijfsrisico's.  Ook kan het beter zijn de vennootschap af te slanken omdat een ‘rijke’ vennootschap misschien een latere overname kan bemoeilijken.