//Alles wat u wilt weten over de groepsverzekering of IPT…

Alles wat u wilt weten over de groepsverzekering of IPT…

Als bedrijfsleider, vrije beroeper of zelfstandige manager werkt u tegenwoordig vaak vanuit een vennootschapsstructuur. Uw fiscalist, boekhouder of accountant heeft dit aangeraden. Een van de doorslaggevende argumenten waarop hun advies is gebaseerd luidt ‘dat via een vennootschap op een zeer interessante manier aan pensioenopbouw kan gedaan worden’. Maar hoe begin je op een optimale manier aan die pensioenopbouw ? 

De charme van pensioentoezeggingen komt er kort samengevat op neer dat een deel van de bruto ondernemingsmarge via een pensioenvoorziening integraal in mindering wordt gebracht van de vennootschapswinst. Die centen worden in een pensioenvehikel geparkeerd en de kapitalen worden later op pensioenleeftijd uitgekeerd aan 16,5 % of 10 %. 

Meer genuanceerde toelichtingen hieromtrent reserveren we voor toekomstige artikels. Maar dat deze constructie interessant is mag duidelijk zijn. De manier waarop dit meestal wordt geïllustreerd, bestaat er uit door met een identiek bedrag aan winst voor belasting te berekenen hoeveel netto overgehouden wordt in alternatieve scenario’s. De twee meest gebruikte alternatieven zijn een verhoging van de bezoldiging of tantième, en een dividenduitkering. Er bestaat genoeg literatuur waarin u kunt lezen dat het pensioenverhaal superieur is ten opzichte van de geciteerde alternatieven.

  De vraagstelling 

Waar we dieper willen op ingaan binnen het bestek van dit artikel is iets dat totaal los staat van fiscaliteit. Het is de problematiek waarmee iedereen in deze situatie per definitie vroeg of laat geconfronteerd wordt. Hoe kunt u op een optimale manier dit soort dingen organiseren en op wie kan u daarvoor beroep doen ? 

Zoals te verwachten is het antwoord niet eenduidig. En vooraleer we suggesties, overwegingen en tips gaan aanreiken moeten we het onderzoeksdomein nog preciezer afbakenen. We nemen aan dat er enkel wordt gekozen voor de vorming van een pensioen via een groepsverzekering of een individuele pensioentoezegging ( vaak afgekort als IPT ). De mogelijkheid om te werken via balansvoorzieningen laten we buiten beschouwing. 

Daarnaast gaan we ons enkel focussen op oplossingen waarin de “leveranciers” een zekere kapitaalgarantie bieden. De mogelijkheden waarbij het rendement van de premies gekoppeld wordt aan de koers van beleggingsfondsen valt eveneens buiten de scope. 

Het doel van dit artikel is om u bewust te maken van de veelheid aan mogelijke oplossingen, de vaak zeer significante verschillen die zich in de praktijk voordoen, en dat via het gebruik van logica toch onderbouwde beslissingen kunnen genomen worden.

  De markt : “leveranciers” en hun verkoopsnet 

Wanneer we de term groepsverzekering of IPT gebruiken, denken we meteen aan producten of formules die worden aangeboden door verzekeraars. Tot de grootste en meest bekende op de Belgische markt horen AXA Belgium, Dexia, Fortis Insurance, en KBC. Zonder exhaustief te willen zijn, zijn ook verzekeraars zoals Generali, Delta Lloyd Life, Fidea, Nateus, Vivium en nog een aantal anderen bijzonder actief in dit domein. 

Volgens de verslagen van Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen, doen levensverzekeraars het bijzonder goed de laatste jaren. De verzekeringsproducten in het algemeen, en producten met kapitaalsgarantie in het bijzonder ( zie hoger onze assumptie ) laten jaar na jaar mooie verkoopscijfers optekenen. De jaarverslagen van de verzekeraars zelf zijn ook unaniem lovend voor hun resultaten in het segment “groepsverzekeringen”. De pensioenbusiness zit dus duidelijk in de lift. 

Afhankelijk van welke soort “leverancier” men kiest, werkt men met een bediende van de bank, een zelfstandige makelaar, een pensioenconsultant, of een zogenaamde agent. In het aanbod van deze bemiddelaars zit een wezenlijk verschil. De bankbediende en de agent kunnen enkel de charmes van de instelling die zij vertegenwoordigen in de verf zetten. Een makelaar en een consultant gaan op basis van een studie van het aanbod van verschillende leveranciers aanbevelingen verstrekken. 

Sommigen sluiten hun pensioencontract af via hun boekhouder of accountant. Het is uiteraard niet de bedoeling om in dit artikel de moraalridder uit te hangen, maar het kan nooit kwaad even de deontologische code te raadplegen van accountants en boekhouders. In een wetsartikel ( art 31, 1° van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen ) en een hierop gebaseerde nota betreffende plichtenleer wordt de uitoefening van een commercieel beroep verboden voor boekhoudkundige en fiscale beroepen. Er wordt daarbij expliciet verwezen naar de activiteiten van verzekeringsmakelaar en –agent. 

Daarmee is uiteraard niet gezegd dat accountants en boekhouders geen rol te vervullen hebben in de implementatie van pensioentoezeggingen. Hun rol situeert zich echter op het niveau van de beoordeling van de opportuniteit en financiële haalbaarheid op korte en middellange termijn van de financieringsschema’s voor pensioentoezeggingen. 

U kunt uiteraard ook proberen rechtstreeks aan te kloppen bij een financiële instelling en op eigen houtje zonder bemiddelaar op zoek gaan naar het optimale traject. U moet aan het eind van dit artikel uitmaken of dit voor u de meeste geschikte methode is. Het is geen geheim dat we een lans willen breken voor professioneel gespecialiseerd advies. We doen dit aan de hand van een praktisch voorbeeld.

  Een casestudy 

We voeren een fictieve bedrijfsleider – vrije beroeper – manager ten tonele. Zoals tijdens de voorbereiding van zijn vennootschap werd besproken, gaat hij in de loop van het eerste boekjaar op zoek naar de ‘optimale’ pensioenformule.

 

Hij neemt contact op met zijn bankier en met zijn makelaar. Tijdens een paar voorbereidende gesprekken wordt hem al heel snel verteld dat tegenwoordig een IPT geschikter is als een groepsverzekering. Bovendien is een dergelijke IPT niet alleen fiscaal heel voordelig, maar het is ook een interessant vehikel om een overlijdensdekking en een gewaarborgd inkomen aan vast te koppelen. 

Terecht wordt geargumenteerd dat dit twee heel belangrijke dekkingen zijn voor een zelfstandige. Via een IPT kan de kost ten laste gelegd worden van de vennootschap. Bovendien draagt de vennootschap niet alleen de kost, de premies gekoppeld aan die IPT zijn lager dan wanneer de dekkingen afzonderlijk worden gekocht, zo luidt het. 

Vervolgens worden verschillende cijfermatige offertes uitgewerkt. De bedrijfsleider legt de offertes van de bank en de offertes van zijn makelaar of agent naast elkaar en meent vervolgens een goed onderbouwde keuze te kunnen maken. 

Laat ons even meekijken over zijn schouder. Op de offertes staan de administratieve en verzekeringstechnische gegevens. Onze man is geboren op 1 april 1970, en wil 10.000 € per jaar voor een IPT spenderen vanaf 1 april 2008. Puur op basis van intuïtie wenst hij dat er ook 250.000 € overlijdenskapitaal wordt gewaarborgd en een “gewaarborgd inkomen” verzekerd : een arbeidsongeschiktheidsrente van 50.000 € per jaar, niet geïndexeerd en met een eigen risicoperiode van 30 dagen. 

Omdat financiële instellingen verschillende rendementshypotheses hanteren in hun offertes werd er gevraagd om pensioenprognoses te berekenen wanneer het totaal bruto rendement 4,0 % per jaar zou bedragen.

 

Op die manier zijn alle parameters identiek en lijkt het er op dat onze proefpersoon op een zeer objectieve manier een keuze kan maken. In tabel 1 hebben we de resultaten van de offertes samengebracht :

 

Tabel 1.

NAAM PREMIE RESERVE WINSTDEEL         NAME TOTAAL    
C 268.661,46 € 69.881,25 € 338.542,71 €    
G 234.913,22 € 71.506,80 € 306.420,02 €    

 

De premiereserve is het gedeelte van het pensioenkapitaal dat met de gangbare intrestvoet op het moment van afsluiten van het contract wordt verwacht op pensioenleeftijd. De winstdeelname is een bijkomend jaarlijks rendement dat wordt uitgekeerd in functie van de resultaten van de verzekeringsmaatschappij. Gegeven het 4 % totaal rendement dat gevraagd werd kunnen we met een tamelijk grote mate van waarschijnlijkheid zeggen dat deze prognoses realistisch zijn. 

De bedrijfsleider vindt de keuze voor de hand liggend. Je hoeft geen hogere wiskunde gestudeerd te hebben om de balans in het voordeel van “C” te laten overhellen. Tijdens de volgende drink met vrienden en relaties zal hij kunnen beamen dat er inderdaad toch wel verschillen bestaan tussen de verzekeraars in die “ITP’s of zoiets”. Het verschil in kapitaal op eindleeftijd bedroeg maar liefst 32.000 €, of beter, de beste gaf meer dan 10 % meer dan de slechtste. 

De cijfers in deze tabel zijn reëel. Ze zijn letterlijk overgenomen uit de offertes die we voor dit artikel hebben opgevraagd bij een aantal verzekeraars. Even van meet af aan stellen dat het niet de bedoeling is om een vergelijkend marktonderzoek tussen verzekeraars te gaan organiseren. Evenmin is het de bedoeling om deze verzekeraars bij naam te noemen en appreciaties te gaan uitspreken. Elke verzekeringsmaatschappij heeft charmante en minder charmante elementen in zijn assortiment. Onze bedoeling is wel om de mythe uit de wereld te helpen dat men via hoger geschetste manier steeds een goede beslissing neemt. 

Om wel een gefundeerde beslissing te nemen is het noodzakelijk dat u begrijpt waarom hoger geschetste methode niet erg geschikt is. Sta ons toe om een beetje inzicht te geven in de onderbouw van de offertes, en deze meteen ook in een ruimer kader te plaatsten. We hebben namelijk niet twee maar meerdere verzekeraars gevraagd om offertes uit te brengen. De resultaten van negen vergelijkbare offertes vindt u in onderstaande tabel.

 

Tabel 2 :

NAAM PREMIE RESERVE WINSTDEEL NAME TOTAAL % – AGE RANK  
A 263.410,51 € 83.346,34 € 346.756,85 € 98,63% 2  
B 313.747,00 € 37.822,17 € 351.569,17 € 100,00% 1  
C 268.661,46 € 69.881,25 € 338.542,71 € 96,29% 3  
D 263.831,96 € 44.544,89 € 308.376,85 € 87,71% 7  
E 260.944,46 € 72.970,04 € 333.914,50 € 94,98% 4  
F 255.825,75 € 74.114,01 € 329.939,76 € 93,85% 5  
G 234.913,22 € 71.506,80 € 306.420,02 € 87,16% 8  
H 256.650,88 € 45.966,54 € 302.617,42 € 86,08% 9  
I 245.863,05 € 64.248,66 € 310.111,71 € 88,21% 6  

 

Hieruit blijkt dat “C” betrekkelijk goed scoort in deze vergelijkende offerte en “G” ergens aan de staart van het peloton bungelt. Meteen merken we ook dat er blijkbaar toch nog een stuk verder kan geoptimaliseerd worden, want “B” genereert zomaar even nog eens 13.000 € meer pensioenkapitaal. Dus in plaats van “C” dan maar “B” selecteren ? 

Wel, … niet meteen. We hebben niet alleen meerdere verzekeraars naar hun offertes gevraagd. We hebben per verzekeraar ook nog eens meerdere offertes gevraagd. Het overzicht in tabel 2 waren pensioenramingen van offertes waarin de verzekeraars de maximale commissie voor de bemiddelaars hadden gestoken. In tabel 3 bevinden zich de resultaten van de offertes met de minimale kostprijsstructuur.

 

Tabel 3 :

NAAM PREMIE RESERVE WINSTDEEL NAME TOTAAL % – AGE RANK
A 290.411,59 € 88.736,60 € 379.148,19 € 100,00% 1
B 337.779,75 € 40.706,46 € 378.486,21 € 99,83% 2
C 295.877,61 € 76.960,42 € 372.838,03 € 98,34% 3
D 317.030,17 € 54.653,39 € 371.683,56 € 98,03% 4
E 282.693,07 € 77.315,65 € 360.008,72 € 94,95% 5
F 277.845,13 € 78.262,70 € 356.107,83 € 93,92% 6
G 270.951,24 € 77.551,32 € 348.502,56 € 91,92% 7
H 282.276,60 € 50.962,52 € 333.239,12 € 87,89% 8
I 263.242,29 € 68.790,19 € 332.032,48 € 87,57% 9

 

De kans dat de bedrijfsleider in kwestie daadwerkelijk zijn contract bij een van de verzekeraars zal geplaatst krijgen aan deze voorwaarden is nihil. Geen enkele professionele bemiddelaar gaat gratis zijn diensten aanbieden. Wat wel zou kunnen is dat er een aparte overeenkomst wordt gesloten tussen klant en bemiddelaar waarbij de klant op basis van geleverde prestaties gaat betalen. Voorlopig komt dit nog betrekkelijk weinig voor op de Belgische markt, meestal omdat de klant de “fee” als te veel ervaart en de voorkeur geeft aan de haast onopgemerkte manier waarop een grotere kost onder de vorm van commissie in het product verpakt wordt. 

De vergelijking van tabel 2 en 3 levert tamelijk onthutsende beelden op. Alles gelijkblijvend liggen de uitersten tussen bijna 380.000 € en iets meer dan 300.000 €. Vergelijking binnen eenzelfde verzekeraar moet duidelijk maken dat er ruimte is voor onderhandeling. 

Vandaar ook onze eerste suggestie : vraag naar de concrete kost die in het product verweven zit en verifieer dit of laat dit verifiëren. Betaal slechts een bedrag dat in overeenstemming is met de regels van de billijkheid. Zorg er ook voor dat de afspraak rondom kosten op papier wordt vastgelegd.

  Waar komen de verschillen vandaan ? 

De verschillen tussen de verzekeraars worden verklaard door de kostprijs van de overlijdensdekking en het gewaarborgde inkomen, maar ook door de kostprijsopslagen in het product zelf. 

Om een idee te geven, de verzekeraar die het gewaarborgde inkomen ( en de daarmee gepaard gaande premievrijstelling ) het goedkoopst aanbood vroeg 1.391,63 €, de duurste rekende 2.399,33 € aan. Vertrekkende van een totaal budget van 10.000 € steekt er jaarlijks 1.000 € meer in de spaarpot bij de “goedkoopste”. Als daar dan jaarlijks nog 4,0 % intrest bijkomt, groeit de spaarpot bij die verzekeraar een stuk sneller aan. 

Voor de overlijdensdekking doet zich iets gelijkaardigs voor. Ook daar liggen de kosten tussen de verzekeraars sterk uit elkaar, terwijl men toch zou verwachten dat de kans op arbeidsongeschiktheid en overlijden voor elke verzekeraar identiek is. 

Allemaal goed en wel horen wij u denken, maar eens deze oefening gedaan en we onderhandeld hebben over een billijke vergoeding voor de prestaties, kunnen we toch met een gerust hart ons contract plaatsen bij de “Best Choice” uit tabel 3 ?

  De maatstaf, het beoordelingscriterium, … 

Opnieuw durven we suggereren om niet te snel te beslissen. Laat ons kritisch naar de offertes kijken. Wat doen we in feite ? Omdat sommige risicowaarborgen aan een goedkoper tarief niet langer privé, maar door de vennootschap kunnen betaald worden, brengen we in één contract een aantal componenten met verschillende karakteristieken samen. 

Om te oordelen welke leverancier we gaan kiezen, beoordelen we op basis van één criterium. Een criterium dat eigenaardig mag genoemd worden, zijnde “een papieren prognose over 27 jaar, gebaseerd op de combinatie van de wet van samengestelde intresten, hypothetische totaal rendementen, en vage ongedefinieerde kosten”. En op basis daarvan wijzen we de offerte met de hoogste geprojecteerde eindwaarde aan als de beste. 

In de offertes zitten drie componenten, namelijk pensioen, overlijden en gewaarborgd inkomen. Stel dat we die drie componenten zouden isoleren. Welke maatstaven of beoordelingscriteria zouden we dan hanteren ? 

Laat ons beginnen met het pensioenluik, wat eigenlijk een vorm van vermogensopbouw is. In maart verscheen ondermeer in de Tijd en de Standaard een bijlage integraal gewijd aan de beste beleggingsfondsen in 2007. Een beetje simplistisch kunnen we stellen dat nergens in deze magazines de geprojecteerde eindwaarde over een termijn van 27 jaar wordt gebruikt om fondsen op hun waarde te taxeren. 

Beleggingsfondsen worden niet louter beoordeeld op basis van hun instap- en beheerkosten. Daarentegen kijkt men naar het rendement dat werd behaald over een aantal periodes waarbij de fondsen volgens onderliggende activa worden ingedeeld. Naar analogie zouden we daarom durven stellen dat een correcte maatstaf voor de evaluatie van de pensioenopbouw het rendement in functie van het risicoprofiel is. 

Voor de component overlijdensdekking is de maatstaf  eenvoudig. Hier is het de prijs die van doorslaggevend belang is. Wanneer u voor een identiek bedrag verzekerd bent in overlijden bij twee verschillende verzekeraars, gaan zij beiden exact dit bedrag uitkeren aan uw begunstigden bij uw overlijden, niet meer en niet minder. Het enige wat daar telt is de kost die u voor die dekking moet betalen. 

De precieze kostprijs van de overlijdensdekking kan in de offertes uit de steekproef moeilijk berekend worden, maar net zoals voor het gewaarborgde inkomen, leert de ervaring dat de tarieven voor deze dekking zeer sterk uit elkaar liggen. 

Een volgende suggestie dringt zich op . Overlijden anders dan arbeidsongeschiktheid wordt niet goedkoper wanneer u het koppelt aan een IPT. U brengt daarom die dekking best onder bij niche verzekeraars die hierin gespecialiseerd zijn. Hun tarieven zijn significant beter dan de premies die gehanteerd worden in een IPT. Dit doet niets af van de mogelijkheid om de premies ten laste van de vennootschap te leggen. 

Tenslotte is er het gewaarborgde inkomen. Dit is een waarborg waar dekkingsverschillen bestaan tussen de verschillende aanbieders onderling. Het zou het bestek van dit artikel ver te buiten gaan, maar we merken dat hier een bijkomende maatstaf naar boven komt, met name de kwaliteit en de inhoud van de dekking. 

Uiteraard speelt voor de dekking in geval van arbeidsongeschiktheid ook de kostprijs een rol. We merken dat sommige verzekeraars vooral daar sterk op inspelen. Maar in realiteit blijkt dat in veel gevallen de prijs die in de offerte wordt voorgespiegeld, niet de prijs is die finaal betaald wordt. 

Meestal gebeurt er eerst een medische screening. Op basis van die resultaten wordt de klant definitief aanvaard. Vaak worden op basis van de medische resultaten uitsluitingen en bijpremies bepaald. Soms hoor je wel eens opperen dat met name de scherpe prijsstelling uit de offertes uitsluitend wordt toegepast voor de Alfadiertjes van het menselijke geslacht. Van zodra de cholesterol, het lichaamsgewicht of de bloedwaarden afwijken van een strenge norm, wordt het tarief verhoogd ! De meeste klanten hebben op dat moment geen zin meer om het hele beslissingsproces voor hun IPT opnieuw te doorlopen bij andere verzekeraars, en aanvaarden die bijpremies. 

Voorlopig besluit 

De kritische kijk op de offerte leert dat we tot dusver evalueerden op basis van prognoses die louter en alleen papieren relevantie hebben. In de voorliggende offertes zijn de kostprijsverschillen voor de risicowaarborgen bepalend voor de keuze van de “leverancier” van de pensioentoezegging. Door bijvoorbeeld de prijs van de dekking arbeidsongeschiktheid fors terug te schroeven, is er op papier veel meer spaarpremie en op basis van hypothetische rendementen geeft dit ook hogere pensioenprognoses. 

Of dat die “leverancier” ook performant is in de vermogensopbouw kan eigenlijk niet afgeleid worden op deze manier. En toch gaat de hoofdmoot van het budget belegd worden met het oog op het vormen van het pensioenkapitaal. En dit was de oorspronkelijke bedoeling.

  Alternatieve benadering 

Sta ons toe een andere benadering te suggereren. We hebben voor alle verzekeraars uit de offerte de totale rendementen over de periode 2002 – 2006 genomen ( de gegevens voor de winstdeelname voor 2007 zijn vandaag nog niet voor alle verzekeraars gekend ). 

Sommige verzekeraars bieden verschillende totaalrendementen in functie van de verschillende basis-intrestvoeten die ze aanbieden. We hebben bij elke verzekeraar jaarlijks het hoogste totale rendement genomen dat aan de klanten werden aangeboden. 

Vervolgens hebben we een soort back-testing uitgevoerd. Stel dat de bedrijfsleider begonnen was met 10.000 € begin 2002, en jaarlijks 10.000 € zou hebben bijgestort, hoeveel zou hij dan hebben eind 2006, rekening houdend met de jaarlijkse totaalrendementen. We gaan hierbij er voorlopig van uit dat we in een kosten- en belastingvrije wereld vertoeven. Tabel 4 geeft een overzicht van de eindresultaten en het gemiddelde rendement over die periode.

 

Tabel 4

NAAM WAARDE RANK GEMIDDELD RENDEMENT RANK   RANKTabel 3
A 57.592,63 € 5 4,75% 5   1
B 58.432,24 € 3 5,13% 4   2
C 56.852,16 € 9 4,35% 9   3
D 57.532,25 € 7 4,60% 7   4
E 57.218,99 € 8 4,55% 8   5
F 57.592,63 € 5 4,75% 5   6
G 58.841,47 € 2 5,28% 2   7
H 57.862,74 € 4 5,20% 3   8
I 59.193,30 € 1 5,45% 1   9

 

Voor de volledigheid hebben we even de ranking uit tabel 3 achteraan toegevoegd, herinner u de “goedkoopste” volgens de oorspronkelijke methode. Laat ons zeggen dat er niet meteen een 1 op 1 relatie bestaat tussen “goedkoop” ( tabel 3 ) en “performant” ( tabel 4 ). 

De volgende en laatste stap is misschien iets te ver gezocht en doet ook afbreuk aan de stelling dat je pensioentoezeggingen niet mag beoordelen op basis van lange termijn prognoses. Het lijkt ons echter de enige bevattelijke manier om het effect van de kosten in het product, de kostprijs van aanvullende waarborgen, en het doorslaggevende effect van bewezen rendementen uit het verleden met elkaar in verhouding te brengen.

 

In tabel 5 en 6 hebben we opnieuw resultaten berekend op eindtermijn, maar nu zonder rekening te houden met de overlijdenswaarborg en met als totaal rendement, het gemiddelde rendement over de periode 2002 – 2006.

 

Tabel 5 : minimale kostenstructuur

NAAM PREMIE RESERVE WINSTDEEL NAME TOTAAL % – AGE RANK
A 314.998,80 € 129.521,65 € 444.520,46 € 93,91% 4
B 350.211,33 € 118.901,81 € 469.113,14 € 99,11% 3
C 327.000,95 € 106.369,11 € 433.370,06 € 91,56% 7
D 333.585,42 € 99.409,07 € 432.994,49 € 91,48% 8
E 305.238,60 € 112.159,83 € 417.398,43 € 88,18% 9
F 313.717,87 € 128.994,95 € 442.712,82 € 93,53% 5
G 306.969,90 € 164.266,35 € 471.236,26 € 99,56% 2
H 302.093,74 € 132.516,39 € 434.610,13 € 91,82% 6
I 300.046,67 € 173.276,52 € 473.323,19 € 100,00% 1

 

Tabel 6 : maximale kostenstructuur

NAAM PREMIE RESERVE WINSTDEEL NAME TOTAAL % – AGE RANK
A 293.343,03 € 120.617,20 € 413.960,23 € 94,12% 4
B 326.329,53 € 110.793,60 € 437.123,13 € 99,39% 3
C 305.345,18 € 99.324,77 € 404.669,95 € 92,01% 6
D 287.065,38 € 84.862,58 € 371.927,97 € 84,56% 9
E 283.582,83 € 104.202,42 € 387.785,25 € 88,17% 8
F 292.062,10 € 120.090,50 € 412.152,60 € 93,71% 5
G 285.523,04 € 152.789,66 € 438.312,70 € 99,66% 2
H 279.279,31 € 122.508,62 € 401.787,92 € 91,35% 7
I 278.805,70 € 161.009,89 € 439.815,59 € 100,00% 1

 

Dit is uiteraard geen exacte wetenschap, want beleggingsresultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Bovendien hebben we gewerkt met een gemiddeld rendement over vijf jaar, waar ook de nodige kanttekeningen bij geplaatst kunnen worden. Maar ten opzichte van de gangbare offertemethodes is dit zeker verdedigbaar. 

We houden er aan terug te kijken naar de aanvankelijke, schijnbaar logische keuze, in het begin van het artikel. Deze tabellen schijnen net het omgekeerde te suggereren. Verzekeraar “G” laat verzekeraar “C” ver achter zich. 

Is dit dan de ultieme keuze ? Niemand kan dit op voorhand voorspellen. Maar de klant die vijf jaar geleden zijn keuze had laten vallen op verzekeraar “G” heeft vijf jaar later al wel wat voorsprong opgebouwd in zijn pensioenreserves.

  Besluit 

  1. Beoordeel de elementen waar u behoefte aan heeft, met criteria die relevant zijn. De beslissing waar de pensioentoezegging wordt ondergebracht mag niet gebaseerd zijn op de prijs van (spotgoedkope) aanvullende waarborgen.
  2. Uw pensioentoezegging is wellicht een van uw belangrijkste vermogenscomponenten in de toekomst. Bij de opbouw ervan zal u kosten betalen. Kosten voor het advies, de studie , de implementatie en de periodieke opvolging van uw contract. Vooral dit laatste is zeer belangrijk. Betaal een kost die vergelijkbaar is met de kost die u ook moet betalen wanneer u andere beleggingsproducten koopt. Laat u niet beïnvloeden door het fiscale aspect. De aftrekbaarheid van de premie voor uw vennootschap is namelijk geen verdienste van uw raadgever of van de verzekeringsmaatschappij, het is een fiscaal gegeven.
  3. Vraag naar de historische rendementen van het product dat u gaat onderschrijven. Ze zijn geen garantie voor de toekomst maar het gebrek aan goede resultaten in het verleden kan moeilijk als een pluspunt beschouwd worden ( gebrek aan garantie voor goede resultaten is niet hetzelfde als garantie voor gebrek aan goede resultaten ).
  4. Doe beroep op professioneel gespecialiseerd advies en betrek uw boekhouder en uw accountant in uw beslissingsproces.
  5. Indien u in het verleden al een pensioentoezegging heeft opgestart, laat deze herbekijken. Beslissingen uit het verleden mogen de toekomst niet hypothekeren. En bestaande pensioentoezeggingen kunnen wel degelijk verbeterd worden. Het vergt wat moed en inspanning, maar het resultaat is de moeite waard.

  

2008-06-09T23:15:22+00:00
Dinsdag 19 december  2017 - 11:00u

Gratis Seminar: Bulgarije, Ster in Europa

In een handomdraai krijgt u een overzicht van de mogelijkheden in Bulgarije en de belangrijkste componenten voor ondernemers:
  • 10% personenbelasting
  • 10% vennootschapsbelasting
  • 10%, de loonkost bedraagt slechts 10% van een gemiddeld Belgisch/Nederlands loon
JA, IK WIL ME INSCHRIJVEN

De 112 Meest Begeerde Fiscale Tips - Editie 2017


Voor al wie belastingontwijking een mensenrecht vindt, 112 haalbare en praktische fiscale tips 
GRATIS INKIJKEXEMPLAAR
Click Me