Sinds begin dit jaar is de BTW-aftrek betreffende de bedrijfswagens gewijzigd. Het is allemaal nogal technisch. We proberen het één en het ander te verduidelijken.

Het nieuwe artikel 45 §1quinquies W.BTW stelt dat de oorspronkelijke BTW-aftrek beperkt wordt tot het effectieve gebruik van het goed voor verrichtingen die recht geven op aftrek op het ogenblik waarop de belasting opeisbaar wordt. M.a.w. bij een gemengd gebruik (beroep/privé) is de betaalde BTW dan ook niet in één keer 100% aftrekbaar.

Dit nieuwe artikel moest ervoor zorgen dat er een einde kwam aan het zogenaamde post Seeling-tijdperk.

De BTW-plichtige kan voortaan de BTW op de goederen en de diensten enkel nog aftrekken ten belope van hun gebruik voor de behoeften van de economische activiteit en dus niet voor het privé-gebruik.

Maar wat betekent dit nu voor de BTW-aftrek op de personenwagens ? En wat met de BTW op het aangerekende voordeel van alle aard ?

1. De BTW-aftrek is immers beperkt tot 50% in geval van exclusief beroepsmatig gebruik (art. 45 § 2 W.BTW). Nochtans is het veelal zo dat de wagen ook voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Of anders gesteld, de wagen heeft een gemengd gebruik. Maar hoe moeten art 45 §2 W.BTW nu in combinatie brengen met het nieuwe art 45 § 1quinquies W.BTW ?

Een overzicht (cfr beslissing BTW nr ET 119.650 dd 20.10.2011)

Worden beoogd door de nieuwe bepaling :

– de uit hun aard onroerende goederen, de andere bedrijfsmiddelen en de diensten die op grond van artikel 48, § 2, aan de herziening zijn onderworpen

– die behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige

– en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt;

Opdat artikel 45, § 1quinquies W.BTW van toepassing zou zijn, is het nodig dat het bedrijfsmiddel deel uitmaakt van het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige.

Wat met het voordeel van alle aard (meerbepaald art 19 §1 W.BTW) ?

Artikel 19, § 1, van het Wetboek beoogt momenteel zowel de roerende als de onroerende goederen (wat vroeger niet het geval was), maar enkel indien die goederen niet beoogd worden door artikel 45, § 1quinquies, van het Wetboek, dit wil zeggen wanneer het gaat om een bedrijfsmiddel dat de aftrekbeperking van artikel 45, § 1quinquies van het Wetboek niet heeft ondergaan, hetzij omdat het belastbaar feit met betrekking tot dat goed heeft plaatsgevonden na 2010 en het goed vanaf het begin uitsluitend voor beroepsdoeleinden werd gebruikt, hetzij omdat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden vóór 2011.

Het nieuwe artikel 19, § 1, van het Wetboek kan dus in principe niet toegepast worden ten aanzien van goederen die een beperking van het recht op aftrek ondergaan hebben krachtens artikel 45, § 1quinquies, van het BTW-Wetboek; enkel de regels met betrekking tot de herziening van aftrek kunnen in dit geval van toepassing zijn.

Rekening houdend met de principes van fiscale neutraliteit zal voor de voertuigen bedoeld in artikel 45, § 2, van het Wetboek, die geen aftrekbeperking van artikel 45, § 1quinquies, hebben ondergaan (omdat het gebruik oorspronkelijk niet gemengd was of omdat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 2011), artikel 19, § 1, enkel toegepast worden wanneer het gebruik voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit 50 % overschrijdt en enkel tot beloop van die overschrijding.

Voorbeeld 1

Een vennootschap koopt in de loop van 2011 een personenwagen die ter beschikking zal worden gesteld van de HR-manager. Aankoopprijs wagen: 50.000 euro + 10.500 euro BTW. Het gemiddeld gebruik van de wagen wordt, onder controle van de administratie, als volgt vastgesteld: 15.000 km woon-werkverkeer, 7.000 km ander privégebruik (vb. gebruik voertuig door het gezin) en 8.000 km verplaatsingen in het kader van zijn functie als HR-manager.

De wagen wordt in deze hypothese voor 73 % (= (15.000 + 7.000) / 30.000) gebruikt voor de privédoeleinden van de HR-manager. Ingevolge artikel 45, § 1quinquies, van het Wetboek zal het recht op aftrek bij aankoop van het voertuig bijgevolg beperkt zijn tot 10.500 x 27 % = 2.835 euro.

Artikel 19, § 1, van het Wetboek is niet van toepassing voor het privégebruik (geen belasting van het voordeel van alle aard vastgesteld inzake inkomstenbelastingen).

Het recht op aftrek van BTW geheven op diensten en leveringen van goederen met betrekking tot het voertuig (onderhoudskosten, benzine, enz.) wordt overigens eveneens beperkt tot 27 % ingevolge artikel 45, § 1, van het Wetboek

Indien voor het jaar 2012 wordt vastgesteld dat de omvang van het privégebruik afwijkt van de verhouding vastgesteld met betrekking tot 2011 (er is nu bijvoorbeeld sprake van 60 % privégebruik), dient een herziening te worden verricht krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van koninklijk besluit nr. 3. De herziening gebeurt jaar per jaar (artikel 11, § 1, eerste lid, koninklijk besluit nr.3).

Deze herziening wordt voor 2012 als volgt berekend :

((10.500 x 40 %) – (10.500 x 27 %)) / 5 = 273 euro in het voordeel van de belastingplichtige

Voorbeeld 2

Een vennootschap koopt in de loop van 2011 een personenwagen die ter beschikking zal worden gesteld van een technisch medewerker. Aankoopprijs wagen: 10.000 euro + 2.100 euro BTW. Het gemiddeld gebruik van de wagen wordt, onder controle van de administratie, als volgt vastgesteld: 15.000 km woon-werkverkeer, 7.000 km ander privégebruik (vb. gebruik voertuig door het gezin) en 28.000 km verplaatsingen in het kader van zijn functie als technisch medewerker.

De wagen wordt in deze hypothese voor 44 % (= (15.000 + 7.000) / 50.000) gebruikt voor de privédoeleinden van de technisch medewerker. Ingevolge een gecombineerde toepassing van artikel 45, § 1quinquies en § 2 van het Wetboek zal het recht op aftrek bij aankoop van het voertuig bijgevolg beperkt zijn tot 2.100 x 50 % = 1.050 euro.

Artikel 19, § 1, van het Wetboek is niet van toepassing voor het privégebruik (geen belasting van het voordeel van alle aard vastgesteld inzake inkomstenbelastingen).

Het recht op aftrek van BTW geheven op diensten en leveringen van goederen met betrekking tot het voertuig (onderhoudskosten, benzine, enz.) wordt overigens beperkt tot 50 % ingevolge artikel 45, § 2, van het Wetboek

Indien voor het jaar 2012 wordt vastgesteld dat de omvang van het privégebruik afwijkt van de verhouding vastgesteld met betrekking tot 2011 (er is nu bijvoorbeeld sprake van 55 % privégebruik), dient een herziening te worden verricht krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van koninklijk besluit nr. 3. De herziening gebeurt jaar per jaar (artikel 11, § 1, eerste lid, koninklijk besluit nr. 3).

Deze herziening wordt voor 2012 als volgt berekend :

((2.100 x 50 %) – (2.100 x 45 %)) / 5 = 21 euro in het nadeel van de belastingplichtige

Voor wie hierover nog meer wenst te lezen , verwijzen we graag naar de desbetreffende vermelde BTW-beslissing.

Bijlage :

Art 19 §1 W.BTW

Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed ander dan dat bedoeld in artikel 45, § 1quinquies, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan

Art 45 §1 quinquies W.BTW

Ten aanzien van de uit hun aard onroerende goederen en de andere bedrijfsmiddelen en diensten die op grond van artikel 48, § 2 aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige, en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privédoeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt, mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen slechts tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van zijn economische activiteit in aftrek brengen

Art 45 §2 W.BTW

Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting. (…)

Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed ander dan dat bedoeld in artikel 45, § 1quinquies, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan

Art 45 §1 quinquies W.BTW

Ten aanzien van de uit hun aard onroerende goederen en de andere bedrijfsmiddelen en diensten die op grond van artikel 48, § 2 aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige, en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privédoeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt, mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen slechts tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van zijn economische activiteit in aftrek brengen

Art 45 §2 W.BTW

Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting. (…)